Keiharde dingen

Het is meen ik een regel van Ida Gerhardt: „Ik lag de lieve lange dag in ’t gras.” Misschien luidt de regel ietsje anders, maar ’t is zeker iets met een ‘lieve lange dag’ die geheel wordt doorgebracht met gras of bloeiend gras of fluitenkruid. Een enorm zomergevoel krijg je ervan: ja, een lieve lange dag in ’t gras liggen, heerlijk, en je ziet de wazige, zonnige verte, het geurige gras dichtbij, het rossige en wollige dat over grasland zweeft in deze tijd van het jaar, de stilte die je omgeeft, het geluk dat uit de bomen nevelt – er kan niets heerlijker zijn, een lieve dag lang.

Allemaal gelogen natuurlijk. Want het is taal, die zoet en allitererend lispelt en je meevoert en bedriegt. Wat je zegt, of wat zo’n dichter zegt, is niet waar: het is een voorstelling van de werkelijkheid. Je zou het graag zo zien. Maar een dag is lang hoor, om in het gras te liggen.

„1946. We liggen in tenten van de C.J.O., de Christelijke Jeugd Oganisatie, in de eindeloze bossen bij Diever. Zomervakantie. Onze tentleider vertelt een spannend spookverhaal en wij luisteren ademloos, zoals jongens in een jongensboek uit de christelijke bibliotheek dat doen.

„Waarom is de werkelijkheid altijd anders? We luisteren helemaal niet ‘ademloos’. Het is een bende van jewelste.”

Het begin van een heel kort verhaal van Gerrit Krol. En dan zie je het maar meteen. Beschrijvingen zijn geen beschrijvingen, het zijn scheppingen van een vluchtige soort. Sommige schrijvers, zoals Krol, weten dat aldoor, per zin, en ze tillen steeds even hun zinnen op om je erachter te laten kijken. De volstrekt pertinente toon waarop alles wordt gebracht, dwingt je steeds om te denken: zo is het, en dan komt de schrijver die je steeds dwingt om te denken: zo is het helemaal niet. Het zijn woorden.

Gerrit Krol werd 75 dit weekend, en hoewel het voor zijn zinnen natuurlijk niets uitmaakt hoe oud de schrijver ervan inmiddels is, kreeg ik toch zin om die zinnen weer eens te bezoeken en met hen de verjaardag van hun schepper te vieren. Het werd een heel leuk partijtje. Met de zinnen van Krol is het goed feesten. Ze laten je bijvoorbeeld zien hoe het gaat, op feestjes:

„De vergelijking met Demosthenes is beschamend, maar waar. Men oefent zich in welsprekendheid. Met een hand vol nootjes in de mond gegooid begint men te schreeuwen, tegen de muziek in, zodanig dat men wordt verstaan. Men heeft niets te vertellen en schreeuwt het uit. De mannen. Ze willen dat de vrouw hen verstaat.”

Zo althans gaat het volgens Robert Roffel, de hoofdpersoon van Een Fries huilt niet (1980), welk boek, het staat er behulpzaam, geheel over de hoofdpersoon gaat: „Dit boek gaat geheel over de hoofdpersoon. Het behandelt zijn verhouding met de mooie, maar onbetrouwbare Yvonne, en zijn ideeën daarover.”

Zinnen waar je een buitengewoon goed humeur van krijgt. Door de krankzinnige bewering dat het boek ‘geheel’ over de hoofdpersoon gaat, alsof een hoofdpersoon niet de hoofdpersoon is omdat het boek over deze persoon gaat. En dan dat rare ‘behandelt’, terwijl we een roman lezen. Dit alles in de zonneschijn van de zelfspot, aangezien de verteller en de hoofdpersoon dezelfde zijn. Maar natuurlijk niet dezelfde als de schrijver, die achter die zinnen zit te werken. Het ene boek na het andere schrijft hij. Hij laat daarbij veel weg. Hij schrapt van alles en kondigt beschrijvingen aan die hij niet geeft. „Beneden mij woonden mensen, die ik zal beschrijven.” Gebeurt absoluut niet. „Beschrijving van de reis naar de Harz.” Meer komen we over deze reis niet te weten.

Heerlijk.

Je leest schrijvers en dichters om hun taal. Sommigen maken de wereld vriendelijk, anderen diep of interessant, sommigen lijken de waarheid te kennen: zoals zij iets beschrijven is het waar. Dat is interessant, en ook angstaanjagend. Want je weet dat dat ook voor je eigen beschrijvingen geldt: alles lijkt te zijn zoals je het zegt. De waarheid is verhalend van karakter. En toch vermoed je daarachter iets wat wáárder is of werkelijker, hoe moet je het zeggen: iets wat niet vatbaar is voor taal.

Krol is geloof ik niet uit op de waarheid, die is uit op stijl. Neem deze zinnen (uit Middletons dood, 1996) over het einde van een huwelijk: „Zo gingen wij op een elegante manier uit elkaar: elk van beiden bezorgd om de ander. Toch is op een dag mijn huis leeg, met mij erin en niemand anders. Dat is wel erg kaal. Ik mag daaruit afleiden dat ik in m’n eentje eigenlijk niets voorstel.”

Pats. Keihard. Je lacht, vanwege dat „ik mag daaruit afleiden”.

Ik las tegelijkertijd de verhalen van John Updike over de Maples (Een huwelijk in afleveringen) omdat zijn laatste verhalen onlangs zijn verschenen en ik die nog niet heb, maar ik kreeg Updike-verlangens.

Werelden kunnen niet verschillender zijn dan die van Krol en die van Updike. De Maples gingen helemaal niet in drie zinnen uit elkaar. Bladzijden lang, met eindeloze nuanceringen en verfijningen, doen ze het niet, ze willen wel, maar kunnen niet, want de werkelijkheid is altijd anders. Wat Updike schrijft, hoe hij schrijft, lijkt de waarheid.

Maar daarom lees je Krol dus niet. Die lees je om de schittering, de sterkte, de bluf, de geest, de humor. Om het verlangen jezelf en de wereld zó diamanthard te beschrijven. „Het zijn keiharde dingen die het zeer zachte en gevoelige mogelijk maken.”

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos