Bloedverdunners

Het vreemde van indianenreservaten is vooral dat ze bestaan. „Het is een goeie plek om gediscrimineerd te worden”, zegt Skip Lyons, zelf een indiaan.

En toch laten nog dagelijks Amerikaanse indianen hun bloedlijn onderzoeken om stamlid te worden. Daarmee verkrijgen ze belastingvoordelen, vis- en jachtrechten. De raad voor Amerikaanse indianen, ooit volledig blank, stelde begin vorige eeuw vast dat de grens voor toetreding lag bij een kwart indianenbloed.

En dat is nog altijd zo. Zo lopen de indianen uit Cass Lake, aan de bovenloop van de Mississippi, met een identiteitskaart op zak waar precies op staat vermeld hoe de (bloed)verhoudingen liggen. Op Skips kaart staat cryptisch: 63/128. Het zegt hem ook niets. Behalve dan dat er over een jaar of dertig helemaal geen reservaten meer zullen zijn „omdat het bloed zo is verdund dat het minimale kwart door niemand meer wordt gehaald. Dan is ons probleem de wereld uit geholpen.”

Maar er is geen indiaan, ongeacht zijn zuiverheid, die dat gelooft. Ook Skip niet. „Wij zijn nu eenmaal een probleem. Want wat je hier ziet, is een gesloopt volk.” A destroyed people. Een volk zonder land, zonder hoop en vooral zonder ziel, zegt Skip.

De voorgeschiedenis is bekend. En de resten ervan zijn eerlijk gezegd ook weinig opwekkend. Zo is naast alcohol, bingo de nieuwe vorm van verslaving – te danken aan het (bijna) exclusieve indianenrecht op een aandeel in de gokindustrie.

Blank Amerika maakt er dankbaar gebruik van. En het levert de gesloten indianengemeenschap broodnodige dollars op. Maar ook een nieuw probleem. „Dat krijg je als je je geloof hebt verloren”, zegt Skip. Zelf is hij daarom maar een christen geworden. „Anders kun je er net zo goed meteen de brui aan geven”, zegt hij schalks.

Zijn goklust is hij er overigens niet door kwijtgeraakt. Dagelijks stuurt hij zijn gedeukte Chevy trouwhartig richting het grootste gokpaleis van Cass Lake. Where the eagles soar, staat er trots boven de ingang. Logisch, vanuit de lucht lijkt alles vredig.

Floris-Jan van Luyn