Voorzichtige kentering in antiterrorismebeleid

Terwijl Nederland nog altijd een ‘voorkeursdoelwit’ is voor een terroristische aanslag, heeft het kabinet een omstreden wetsvoorstel aangehouden. „Nu moet alleen het publieke bewustzijn wat toenemen.”

Waren het toeristen of terroristen? Voorlopig worden de vier Nederlanders die maandag in Kenia werden opgepakt verdacht van deelname aan een terroristische organisatie. De 21-jarige mannen zouden zich hebben willen aansluiten bij de radicaal-islamitische opstandelingenbeweging Al-Shabaab, die grote delen van het aangrenzende Somalië in haar greep houdt en soms zelfmoordaanslagen pleegt. Drie van de vier zijn in Marokko geboren, de vierde in Somalië. Op verzoek van Nederland zijn ze donderdag bij aankomst op de luchthaven in Brussel aangehouden.

En daarmee werd ‘terrorisme’ de afgelopen week opnieuw voorpaginanieuws.

Een andere verdachte in een terreurzaak is deze week juist – voorlopig – op vrije voeten gesteld. De 48-jarige Saïda H. wordt ervan verdacht in maart een valse melding van terreurdreiging te hebben gedaan. Zij blijft nog wel verdachte. Op 11 maart van dit jaar kreeg de politie een anoniem telefoontje over een op handen zijnde terroristische aanslag: enkele mannen zouden aan de Arenaboulevard in Amsterdam-Zuidoost explosieven tot ontploffing willen brengen in grote winkels als Ikea en Mediamarkt. Na het telefoontje werden de Amsterdamse warenhuizen ontruimd en zeven verdachten van Marokkaanse komaf, met veel geweld, aangehouden. Al na een dag werden alle verdachten weer vrijgelaten, omdat tegen hen „geen enkele verdenking meer” was inzake terrorisme, zo liet het OM weten. Bij de zitting bleek afgelopen woensdag dat één van de adressen die werd genoemd in het telefoontje, het adres van Saïda H. zelf was. Haar man en kinderen werden als gevolg van de melding aangehouden.

Na het ‘Ikea-incident’ vroegen critici zich hardop af of de overheid overhaast had gehandeld. Hadden de verdachten wel zo snel, en met zoveel geweld, moeten worden aangehouden? Was in eerste instantie alleen ontruiming niet genoeg geweest, zodat de politie had kunnen uitzoeken of het om een serieuze dreiging ging?

Critici zagen zich door het incident gesterkt in hun opvatting dat de overheid doordraaft in zijn strijd tegen terrorisme. De afgelopen jaren hebben justitie en politie steeds meer bevoegdheden gekregen, terwijl de rechten van verdachten worden ingeperkt. Sommige advocaten en rechters klagen al jaren dat de vrijheden van burgers, onder het mom van terrorismebestrijding, te veel worden ingeperkt en dat de principes van de rechtsstaat worden aangetast.

Nu, bijna acht jaar na de aanslagen op het World Trade Center in New York, lijkt er sprake van een voorzichtige kentering in het Nederlandse antiterrorismebeleid.

Het kabinet laat een integraal evaluatieonderzoek uitvoeren naar de samenhang, legitimiteit, effectiviteit en operationele uitvoerbaarheid van alle antiterrorismemaatregelen. Dat was een aanbeveling van de commissie-Suyver, die onder leiding van Jan Suyver, oud-topambtenaar van het ministerie van Justitie, heeft onderzocht hoe de genomen antiterrorismemaatregelen „meer in onderlinge samenhang” beoordeeld kunnen worden. Vorige maand kwam zij met haar conclusies: veel wetten die de afgelopen jaren zijn ingevoerd overlappen elkaar. Bij incidenten kan het voorkomen dat politie, justitie, bestuur en veiligheidsdiensten allemaal tegelijk bevoegd zijn. En voor de afstemming van overheidsoptreden bij terroristische incidenten ontbreken „goeddeels richtsnoeren”. De aangekondigde evaluatie moet bijdragen aan een betere afstemming en meer samenhang in de wetgeving. Dat is één. Ten tweede heeft het kabinet besloten om in afwachting van die evaluatie een omstreden wetsvoorstel, dat momenteel in behandeling is bij de Eerste Kamer, aan te houden. Het gaat om het wetsvoorstel bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid, waarmee een persoon die in verband kan worden gebracht met (de ondersteuning van) terroristische activiteiten, maar tegen wie strafrechtelijk nog niets kan worden ondernomen, een gebieds- of persoonsverbod of een meldingsplicht kan worden opgelegd.

De twee belangrijke beslissingen van het kabinet die voortvloeien uit het rapport van de commissie-Suyver roepen gemengde reacties op. D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold, wiens motie in 2007 leidde tot de instelling van de onderzoekscommissie, reageert verheugd. Enkele weken geleden zei hij in deze krant dat Nederland een „nieuw tijdperk in de terrorismebestrijding” ingaat. Dat het kabinet zelfs een wetsvoorstel aanhoudt, duidt er volgens Pechtold op dat er „meer aandacht komt voor de burgerrechten”. Afgelopen week zei hij desgevraagd: „Voor mij is dit heel duidelijk een moment van bezinning. Waar staan we nu op het gebied van terrorismebestrijding en hoe gaan we verder? Ik proef wat dat betreft bij Hirsch Ballin (minister van Justitie, red.) meer interesse in dat soort vraagstukken dan bij zijn voorganger Donner. Nu moet alleen het publieke bewustzijn nog wat toenemen. Men ondergaat het allemaal maar, geeft braaf zijn tube tandpasta af bij de douane op het vliegveld. Er zou een maatschappelijke discussie moeten komen over hoe ver terrorismebestrijding mag gaan.”

Tjibbe Joustra, voormalig hoofd van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (een landelijke terreureenheid die in 2004 is opgericht), is daarentegen allerminst enthousiast over het plan voor een evaluatie. „Ik dacht dat de commissie-Suyver zelf naar de samenhang van antiterrorismemaatregelen zou kijken. Het is jammer dat deze dwarsdoorsnede weer naar een volgende evaluatie leidt. Terrorismebestrijding is handelen, niet alleen evalueren.” Joustra vreest dat een evaluatie het antiterrorismebeleid op losse schroeven zal zetten. „Je moet niet elke keer de regels en de organisatiestructuur veranderen. Terrorismebestrijders moeten gewoon hun werk kunnen doen.”

Over het pakket aan wetgeving dat er op het gebied van terrorismebestrijding is ontwikkeld, is de voormalige terreurbestrijder Joustra tevreden. Volgens hem is er steeds een goede afweging gemaakt tussen de individuele vrijheid van burgers en de instrumenten die nodig waren, al zal het soms voorkomen dat iemand te snel wordt aangehouden. „Je kunt in het geval van terrorismedreiging nu eenmaal niet zeggen: ‘Het zal wel loslopen’. Ook in het geval van onzekerheid moet je optreden, terwijl je weet dat het achteraf ten onrechte kan zijn geweest.” Doorgeschoten is de overheid met wetgeving volgens Joustra in ieder geval zeker niet. „Zo’n grote lijst aan maatregelen is het nu ook weer niet.”

Joustra vindt het „geen logische gedachtegang” dat de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken het wetsvoorstel bestuurlijke maatregelen aanhouden. Het was geen aanbeveling van de commissie-Suyver, zegt hij, dus waarom wachten met die belangrijke aanvulling op het bestaande pakket aan maatregelen?

Volgens minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) hebben hij en zijn collega Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) daartoe besloten omdat er volgens de commissie-Suyver geen lacunes zijn in de wetgeving én omdat de Eerste Kamer veel bezwaren heeft tegen het wetsvoorstel. „Daar denken we dus nog eens goed over na”, aldus Hirsch Ballin.

Joustra noemt het voorbeeld van Samir A., die in 2005 werd vrijgesproken van het voorbereiden van aanslagen in Nederland en eenmaal buiten de gevangenis een fotograaf molesteerde. Joustra: „In dat gevallen had die wet echt toegevoegde waarde gehad. Samir A. verdween namelijk uit beeld, niemand wist waar hij was. Dat gaf een hoop commotie, maar wij stonden met lege handen. Ondanks zijn vrijlating wisten we dat we Samir A. niet konden beschouwen als iemand die het goede voorhad. Met bestuurlijke maatregelen hadden we hem een meldingsplicht kunnen opleggen of hem kunnen verbieden in de buurt van het Binnenhof te komen.”

De evaluatie naar de antiterrorismemaatregelen moet in 2010 worden afgerond. Minister Hirsch Ballin benadrukt dat de overheid tot die tijd „onverminderd doorgaat met de preventie en waar nodig de bestrijding van terrorisme”. De terroristische dreiging richting Nederland blijft immers aanwezig en het dreigingsniveau, dat ieder kwartaal wordt vastgesteld door de NCTb, staat nog altijd op ‘substantieel’. Dat Nederland een ‘voorkeursdoelwit’ is van jihadisten komt onder meer door de film Fitna die Geert Wilders vorig jaar uitbracht en door de Nederlandse militaire betrokkenheid in Afghanistan.

Volgens Hirsch Ballin is er echter steeds meer „innerlijke weerstand” bij mensen om zich te laten mobiliseren voor het gewelddadig jihadistisch gedachtegoed. „Maar dat is een onderwerp waarbij ik niet op details kan ingaan”, voegt hij daar onmiddellijk aan toe. „Dat minder mensen radicaliseren, wil natuurlijk niet zeggen dat Nederland plotseling immuun is geworden voor terroristische risico’s. We staan internationaal nog steeds in de kijker.”