Tandbederf bij kinderen neemt toe

Vijfjarige Nederlandse kinderen hebben meer tandbederf dan ruim vijftien jaar geleden. In 1993 hadden zij gemiddeld drie aangetaste, gevulde of missende melktanden en kiezen; in 2005 waren het er ruim vier en een half. En tandartsen van Jeugdtandverzorgingsdiensten (JTV) pakken die gaatjes in kindertanden anders aan dan de tandartsen in ‘gewone’ praktijken.

Dat blijkt uit drie onderzoeken die de afgelopen jaren bij groepen van enige honderden kinderen van 5 jaar en van 11 en 12 jaar zijn gedaan. Het was voor het eerst in jaren dat er weer onderzoek naar gaatjes, vullingen, tandbederf en getrokken tanden en kiezen bij kinderen is gedaan (Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, juli) .

Bijna de helft van de vijf- en twaalfjarigen had een gaaf gebit in de onderzoeken uit 2005 tot 2007. Dat wil zeggen: zonder gaatjes en zonder vullingen. Bij de vijfjarigen gaat het om het melkgebit; de twaalfjarigen hebben al gewisseld en moeten hun tanden en kiezen de rest van hun leven zien te behouden.

De kinderen die geen gaaf gebit meer hadden en die meestal naar een Jeugdtandverzorgingsdienst gingen hadden minder bestaande gaatjes en meer gevulde tanden en kiezen dan kinderen uit vergelijkbare groepen die door een gezinstandarts worden behandeld. En bij de vijfjarigen die bij een JTV komen, waren meer melktanden en kiezen getrokken dan bij de andere kinderen.

De verschillen tussen de groepen zijn waarschijnlijk van meerdere factoren afhankelijk. Eén verklaring is dat jeugdtandartsen in deze JTV’s volgens een strikt protocol werken, vaker röntgenfoto’s maken, meer tijd voor jonge patiëntjes hebben en de kinderen ook vaker in hun stoel krijgen.

Het kan ook zijn dat de preventieve instelling van de behandelend tandarts een rol speelt. Een trend in de tandheelkundige jeugdzorg is beginnend tandbederf niet met de boor te behandelen, maar vooral een preventieve benadering te volgen waarbij ook de ouders worden betrokken. Beginnende gaatjes kunnen remineraliseren en zich weer sluiten.