Oude zonnevlekcyclus valt in tweeën

Een abnormaal lange zonnevlekkencyclus aan het einde van de 18de eeuw bestaat in werkelijkheid uit twee kortere cycli. Dat heeft een groep onderzoekers onder leiding van Ilya Usoskin afgeleid uit onlangs opgedoken tekeningen van de zon (Astrophysical Journal Letters, 1 augustus). Het bestaan van deze cycli werd al meer dan een eeuw vermoed. Het betekent dat de nieuwe vlekkencyclus die op dit moment begint niet de 24ste maar de 25ste is.

Zonnevlekken zijn relatief koele gebieden aan het oppervlak van de zon. Ze zijn de opvallendste manifestaties van de processen in het inwendige van deze gasbol. Het aantal vlekken wordt uitgedrukt in het zonnevlekkengetal, berekend uit het aantal vlekken dat dagelijks op de zon te zien is. Dit getal stijgt en daalt cyclisch gedurende een periode van rond elf jaar. De cyclus die in 1755 begon, toen de metingen betrouwbaar leken te zijn, heet cyclus 1.

Cyclus 4, die in 1784 startte, is met zijn lengte van 15,5 jaar een buitenbeentje. Al meer dan een eeuw bestaat het idee dat hier misschien een cyclus ontbreekt. Er zijn namelijk heel weinig waarnemingen van zonnevlekken uit die tijd, waardoor astronomen zich bij het reconstrueren van cyclus 4 vooral richtten op bijvoorbeeld geregistreerde waarnemingen van poollicht, een verschijnsel dat ook met de zonneactiviteit varieert. Door de vondst van enkele tekeningen van de zon uit het eind van de 18de eeuw, gemaakt door een Duitse en een Ierse astronoom, is deze verdwenen cyclus nu aan het licht gekomen.

De tekeningen stammen uit de periode 1793-1796 en laten zonnevlekken nabij de polen van de zon zien. Daar zijn altijd de eerste vlekken van een nieuwe cyclus te vinden. Het betekent dat in 1793 een nieuwe vlekkencyclus begon. Cyclus 4 bestaat dus uit twee korte cycli van 9 en 7 jaar. Deze ontdekking impliceert dat voorspellingen van toekomstige zonneactiviteit op grond van voorafgaande cycli aanpassingen vereisen.