Opeens ruikt Maarten 't Hart Phytophtora

Schrijver Maarten ’t Hart beschrijft maandelijks hoe zijn moestuin erbij staat. In juli was hij in de weer om de aardappelziekte te bestrijden.

Maarten 't Hart Hilko Visser Visser, Hilko

Zoals mij de schrik om het hart slaat als ik wierook opsnuif – wegwezen, papen in de buurt! – zo slaat de schrik mij ook om het hart als ik Phytophtora infestans ruik. Misschien ruik je de schimmel zelf niet, maar alleen wat hij aanricht, namelijk het bederf van je aardappels. Maar hoe dan ook: op 21 juli, de verjaardag van één onzer beste dichters (Frank Koenegracht) rook ik opeens Phytophtora. Het was geen verrassing, want als het warm en vochtig is, dus broeierig, slaat de schimmel terstond toe. En dan zit er werkelijk niets anders op dan maar in ijltempo al je aardappels te rooien, want de schimmel verspreidt zich razendsnel, en in een mum van tijd blijken al je aardappels aangetast.

Zeker, je kunt nog wel spuiten met kopersulfaat, maar bestrijdingsmiddelen zijn bij mij taboe. En je kunt de rotte, bruine plekken wel van je aardappels afsnijden, maar ook het nog gezonde stuk aardappel ruikt naar de schimmel en bederft totaal je eetlust.

Dus op des dichters verjaardag heb ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aardappels gerooid. De schade viel mee, hoogstens een procent van de aardappels was aangetast. Maar de ervaring leert dat ook je ogenschijnlijk prachtige aardappels al besmet kunnen zijn en in de droge kelder in een ommezien veranderen in een vies bruin hoopje smurrie. Dus het is zaak je oogst in de kelder te blijven nalopen.

Deze schimmel was er de oorzaak van dat in de negentiende eeuw zowat de hele bevolking van Ierland crepeerde – lees de roman Castle Richmond van Anthony Trollope voor een ongeëvenaarde beschrijving van de hongersnood – en de helft va n de Nederlandse bevolking.

Ben je van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aan het rooien, dan word je geleidelijk aan moe. Je merkt er zelf weinig van. Het enige wat mij wel altijd opvalt, is dat ik staande begin en zittend eindig. Je kunt heel goed zittend rooien, dat is geen enkel probleem, maar de noeste werker staat natuurlijk.

Ben ik ongemerkt overgegaan op zittend rooien, dan kan het gebeuren dat ik nog louter mechanisch de juiste handelingen verricht, maar toch enigszins in een soort half-coma ben geraakt. En altijd doemen dan volautomatisch vanuit mijn brein psalmversjes op. Zo hoorde ik mijzelf eind van de middag opeens zingen:

‘Zo Gij in ’t recht wilt treden.

o, Heer en gadeslaan,

onz’ ongerechtigheden,

ach wie zal dan bestaan?’

Waar hebben we het over, dacht ik. Mijn ongerechtigheden? Geen braver mens dan ik. Hoe zou ik ooit, terwijl ik aardappels rooi, kunnen zondigen? Zullen we het maar niet liever eens over Gods ongerechtigheden hebben? Wie zadelt de mensheid nu op met zo’n gruwelijke schimmel als Phytophtora infestans? Zeker, intelligent design van de hoogste orde, maar wel uitsluitend op destructie gericht. Trollope vraagt zich in zijn roman af hoe de verschrikkingen van The Famine gerijmd kunnen worden met Gods goedheid. Hij weet daar geen antwoord op, hij maakt zich ervan af met dooddoeners in de orde van grootte van: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.

Terwijl ik mij kwaad maakte op God die zo’n schimmel had geschapen, streken opeens vanuit de pensionstal van de buren een tiental goudoogdazen op mij neer en staken mij in mijn blote armen en in mijn nek. Ook mijn wangen werden geraakt. Nog zo’n wanstaltig organisme uit de intelligent design-fabriek van God, de daas. Er zijn maar liefst drieduizend soorten en allemaal hebben ze de prettige gewoonte geruisloos neer te strijken. Je merkt hun aanwezigheid pas op als je reeds gestoken bent.

Mijn vader zei altijd: als God liefde is, waarom heeft Hij de mug dan geschapen? Dit geldt mutatis mutandis nog voor zo’n miljoen andere organismen.

Ik roep derhalve iedereen op: trek ten strijde tegen God. Neem het niet langer. Hij treedt niet in het recht, Hij treedt in het onrecht. Wij moeten zijn ongerechtigheden benoemen, aan de kaak stellen, bestrijden. De straat op, net als in Iran. Weg met de God van Israël, en al zijn volgelingen.

Over Margriet van der Linden las ik in deze krant: „Ze heeft zich een weg moeten vechten uit een zwaar christelijke opvoeding zonder dat ze er Maarten ’t Hart-achtige frustraties aan heeft overgehouden.” Op mij kan dat niet slaan, want ik dank aan mijn zwaar christelijke opvoeding slechts dat ik, als ik moe word, volautomatisch psalmen begin te zingen zoals psalm 130 vers 2 bij het rooien van de aardappels. En op grond van de tekst van die psalm die over onze ongerechtigheden spreekt in plaats van de evidente ongerechtigheden van God roep ik op tot demonstraties tegen het Opperwezen.

Wat een onzin dat ik aan mijn opvoeding frustraties zou hebben overgehouden en zij niet! Heb ik dan nog zo’n calvinistisch kapsel met zo’n snelle kuif die naar de hemel wijst? Kijk ik op de buis lotgenoten aan met zo’n strenge schooljuffrouwenblik?