Leven zonder uitzicht

Als de rechter een levenslange gevangenisstraf oplegt, is daar een goede reden voor. Wie de lijst levenslang gestraften doorneemt valt van de ene gruwelijkheid in de andere. Maar met het onherroepelijk oordeel van de rechter en het sluiten van de gevangenispoort is de zaak niet afgedaan.

Ook de ergste dader, voor het leven opgesloten, is immers een mens. Diens opsluiting roept de moeilijkste vragen op: over vergelding en vergeving. Is hem nog perspectief gegund of is zijn toestand per definitie uitzichtloos? Anders gezegd: wanneer is levenslange gevangenisstraf nog humaan en wanneer niet. Er is al enige tijd reden om aan te nemen dat de Nederlandse praktijk dat niet is. Het Europese Hof in Straatsburg stelt als maatstaf dat ook een levenslange gevangenisstraf zowel feitelijk als juridisch bekort moet kunnen worden. Anders komt die in strijd met het folterverbod van artikel 3 uit het Europees verdrag voor de rechten van de mens.

Op papier lijkt in Nederland alles in orde. Bij de laatste beoordeling door de Hoge Raad werd vastgesteld dat levenslang technisch in te korten is. Er bestaat immers een gratieregeling. De veroordeelde kan ook de burgerlijke rechter voortzetting van zijn straf als onrechtmatige overheidsdaad laten kwalificeren – hoewel dat nog nooit is gebeurd. Helemaal een illusie is voortijdige vrijlating dus niet. Nederland is de facto samen met Estland het enige Europese land waar levenslang vrijwel altijd opsluiting tot de dood inhoudt. Gratie wordt hier alleen verleend als een levenslang gestrafte ongeneeslijk ziek is: sterven mag in vrijheid, verder leven niet. Half juli kreeg een terminale levenslang gestrafte uit de gevangenis in Lelystad daarom nog gratie.

In het tijdschrift Delikt & Delinkwent van april laat de Groningse strafrechtjurist W.F. van Hattum zien dat de Staat tot midden jaren tachtig principieel anders tegen levenslang aankeek. Hij haalt een aantal vergeten gevallen aan van geslaagde gratiëring na behandeling en rehabilitatie. En laat zien dat er lange tijd een ‘gewoonterecht op uitzicht’ heeft bestaan voor deze groep.

Dat was mede gebaseerd op ervaringen uit de jaren vijftig, die erop wezen dat levenslang gestraften fysiek en psychisch aan hun straf ten onder gingen. Ambtenaren kwalificeerden de „werkelijk volgehouden” levenslange straf als „iets onmenselijks en erger dan de doodstraf”.

Maar die les is vergeten. Met een gemiddelde van een tot twee gedetineerden per jaar wordt nu een nieuwe groep uitzichtloos opgesloten. Sinds 1995 is levenslang 36 keer opgelegd. In de halve eeuw daarvoor maar zes keer. Deze groei is spectaculair. Van uitzondering is de straf zo regel geworden. En dit lot kan ook anderen treffen: de uitbehandelde gedetineerden op de longstay-afdelingen in de tbs. Deze week werd bekend dat de helft van de verdachten diagnose – en dus ook behandeling – weigert uit angst daar terecht te komen.

Totale uitzichtloosheid is onwenselijk en onmenselijk. Net als in andere Europese landen is een periodieke evaluatie van de levenslange straf gewenst. Zo’n nieuwe beoordeling zou tot een omzetting in een straf van beperkte duur kunnen leiden. Behandeling en resocialisatie in de instelling mogen ook levenslang gestraften niet ontzegd worden. Een uitzichtloos bestaan mag niemand worden aangedaan.

Rectificatie / Gerectificeerd

correcties en aanvullingen

Strafrechtjurist

In het commentaar Leven zonder uitzicht (1 augustus, pagina. 7) werd strafrechtjurist W.F. van Hattum aangehaald. Het betreft geen man, zoals gemeld, maar een vrouw: Wiene van Hattum.