Lekker vriendjes maken

Deze zomer bespreekt een panel van Dr. Zeepaard elke week een vraag. Vandaag: bestaat er buitenaards leven?

De panelleden uit groep 7 van de Johannesschool in Hillegom nemen elkaar graag giechelend in de maling. “Wij hebben nog nooit een buitenaards wezen gezien”, zegt Marieke. “U denkt misschien: Tessa, die lijkt erop, maar ze ís het niet. Echt niet.”

“Yès, aliens!”, riepen de vier even tevoren bij de aankondiging van het gespreksonderwerp: de vraag of er buitenaardse wezens bestaan.

Hoe die eruit zien? “Het zijn in elk geval groene dingen die niet op aarde leven”, zegt Pim. “Een soort slakken misschien.” Hij zet zijn vuisten omgekeerd op de zijkant van zijn hoofd: “Kijk: met lange sprieten op hun kop.”

Tessa: “Het zijn groene monsters, maar misschien zijn het gewoon mensen. Dat weten we niet. Ze leven in ieder geval niet op aarde.”

Jari leunt op zijn stoel achterover: “Ik denk dat ze groen zijn. En ze zien eruit als een beer. Ze hebben schubben en hun hoofd lijkt op een mensenhoofd, maar het is niet écht een mensenhoofd. Het heeft een hele rare vorm. En in plaats van een mond hebben ze alleen een streepje.”

Tessa: “Als mensen vertellen hoe een alien eruit ziet, dan vertellen ze steeds hetzelfde. Er was een mevrouw die zei dat ze ontvoerd was door aliens. Ze zei dat ze groen waren, dat ze plakkerige lippen hadden en hele grote ogen, helemaal zwart. Door het verhaal dat die mevrouw heeft verteld zien veel aliens er nu zo uit. Want niemand heeft ze ooit echt gezien. Het is knap dat ze door aliens is ontvoerd, maar een hele tijd later hebben we nog geen bewijs.”

Jari: “En hoe kan je ooit meegenomen worden naar het heelal. Hoe kom je aan zuurstof? En hoe kom je dan weer terug?”

Het panel is het erover eens, dat niemand ooit écht buitenaards leven heeft gezien. Maar zouden buitenaardsen wel ergens in het heelal kunnen leven?

Jari: “Ik weet zeker dat er niemand op de zon leeft. Dat is bijna onmogelijk. Het is daar veel te warm.” ”

Tessa: “Misschien zijn het wel mensen met een geperfectioneerde huid of schubben die tegen de zon kunnen.”

“Misschien leven ze wel op Mars”, zegt Pim.

Jari vertelt dat Mars door robots is verkend: “Ze gingen daar naartoe om te kijken wat voor soort steen het was. Of je er kon landen en of je er doorheen zakte.”

Pim weet wel waarom het leven op Mars niet gevonden is. “De aliens leven onder de grond.” De rest lacht. “Waarom lachen jullie daarom?”, vraagt Pim. “Misschien hebben ze wel lichtgevende ogen. En de graafpoten van een mol, schubben van een slang en de snelheid van een panter.”

Zou het mooi zijn om contact te maken met die buitenaardsen?

“Ja!” Pim steekt zijn arm uit en schudt een denkbeeldige alien de hand. “Dan ga ik lekker vriendjes maken!”

Maar hoe komen we erachter of we met vriendelijke aliens van doen hebben, vraagt Jari zich af. “Je kunt proberen met ze te praten, maar misschien versta je ze helemaal niet.”

Pim: “We zouden vier of vijf mensen met raketten er naar toe moeten sturen, om te zien of ze vriendelijk zijn.”

Wie zou zich melden voor die raketmissie? “Ikke-ikke-ikke”, klinkt het in koor. En niemand zou bang zijn: “Alleen maar nieuwsgierig”, zegt Marieke. Pim: “Die aliens, die kunnen de pot op.”