Kennis achter de tolmuur

Wie niet bij een universiteit werkt betaalt zich blauw aan wetenschappelijke gegevens die met belastinggeld ontstonden. Maar open access is in opkomst.

Bas Savenije is sinds 1 juni algemeen directeur van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Daarvóór was hij directeur van de bibliotheek van de Universiteit van Utrecht. Net als alle andere bibliotheekmensen heeft hij een eenvoudig ideaal: maak alles wat geschreven is zo toegankelijk mogelijk, voor iedereen. Maar de praktijk is lastiger, vertelt hij in zijn KB.

“Als gezondheidscentra en huisartsen me vragen: kunt u mij toegang geven tot de recente wetenschappelijke literatuur, moet ik ze vertellen dat ik dat niet mag. De uitgevers staan ons dat niet toe. We hebben alleen een licentie voor gebruik binnen de universiteitsbibliotheken en de KB. Het zou prachtig zijn als we ook patiëntenverenigingen, hbo’s, roc’s en het MKB toegang konden bieden tot de literatuur. Maar het mag niet.” Terwijl de KB alles in zijn elektronisch e-depot heeft, of het in een oogwenk ergens kan vinden.

De universitaire werker kan tegenwoordig alle literatuur op zijn eigen computer inzien, thuis, ‘s nachts, op vakantie. Een ongekende weelde. Maar de specialist in een niet-academisch ziekenhuis, de researchmedewerker van een ingenieursbureau of de gewone burger kan dat niet. Hij moet een treinkaartje naar Den Haag Centraal kopen en naar de KB-balie gaan. Of naar een universiteitsbibliotheek. Daar kan hij een artikel in de computer opzoeken en het laten uitprinten. En dan weer terug. Ja, hij kan ook op internet gaan zoeken in de database van de wetenschappelijke uitgeverijen en voor dertig dollar één artikel kopen.

Sybolt Noorda, voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, plaatst de kwestie graag in een historisch perspectief. “Het is een vreemde paradox. De digitalisering van informatie is te vergelijken met de instelling in de negentiende eeuw van de openbare bibliotheken. Vóór die tijd was je aangewezen op privébibliotheken, je moest een introductie hebben. Net als die openbare bibliotheken heeft de digitalisering voor de burgers de toegang tot kennis enorm uitgebreid. Maar je moet nu vaststellen dat grote delen van het domein van de wetenschappelijke kennis daarvan zijn uitgezonderd.”

Daar komt nog iets bij. Verreweg het grootste deel van het onderzoek dat nu achter de tolmuren ligt, is betaald met het belastinggeld van de burgers. De onderzoekers ontvangen geen honorarium van de uitgevers en ook de redacties en de reviewers doen hun werk meestal voor niets. “Ik vind dat onderzoek dat met publieke middelen betaald is, ook publiek toegankelijk moet zijn”, zegt Savenije.

Daar is iedereen in de wereld van de wetenschap het onderhand mee eens. Lex Bouter, vooraanstaand medisch onderzoeker en tegenwoordig rector magnificus van de Vrije Universiteit: “Vind ik ook. Wat met publieke middelen is gefinancierd moet in het publieke domein terechtkomen.” Minister Plasterk, via zijn woordvoerder: “Het uitgangspunt is dat al het onderzoek dat met publiek geld gefinancierd wordt, voor iedereen toegankelijk moet zijn.”

Om aan dat ideaal nog wat kracht bij te zetten heeft SURFfoundation, het orgaan waarin de Nederlandse universiteiten op gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) samenwerken, 2009 uitgeroepen tot het jaar van de open access: de toegang voor iedereen tot alle wetenschappelijke informatie.

Hoe staat het daarmee? Zijn er halverwege het jaar al vorderingen gemaakt? Niet zo veel. “Als het in het huidige tempo doorgaat, hebben we nog 21 jaar te gaan”, zegt Leo Waaijers, de vroegere directeur van de Delftse Universiteitsbibliotheek.

Berlin Declaration

Toch lijkt het zo eenvoudig. Internet heeft het streven naar open access tot een reële mogelijkheid gemaakt, want je kunt met een eenvoudige handeling nu elk artikel voor iedereen toegankelijk maken. Daardoor gemotiveerd stelde in 2003 een aantal wetenschappelijke instellingen de Berlin Declaration op, een beginselverklaring waarin die vrije toegang werd bepleit. Inmiddels hebben 264 wetenschappelijke instellingen die verklaring ondertekend, waaronder alle Nederlandse universiteiten, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Behalve democratischer kan open access uiteindelijk ook goedkoper zijn. De Australische onderzoeker John Houghton onderzocht in opdracht van SURFfoundation de mogelijke besparingen en kwam vorige maand tot de conclusie dat die voor Nederland wel tot 133 miljoen euro per jaar kunnen oplopen. Voor landen die niet tot het rijke Westen behoren zou met open access nog veel meer gewonnen zijn. “Ik heb cursussen klinische epidemiologie gegeven in El Salvador en Roemenië”, zegt Lex Bouter. “Ik was geschokt door de volstrekt tekortschietende toegang die wetenschappers in die landen hebben tot de databronnen.”

Achter de horizon

Dat de volledige openbaarheid vooralsnog achter de horizon blijft, heeft verschillende oorzaken. Onderzoekers publiceren hun artikelen het liefst in een toptijdschrift. Niet alleen omdat ze zelf daar een prettig gevoel bij krijgen, maar ook omdat ze daar door hun geldschieters op worden afgerekend.

Zo’n toptijdschrift wordt vaak uitgegeven door Elsevier, Springer, Wiley, Blackwell of een andere commerciële uitgeverij. Die bedrijven verdienen veel geld met de abonnementsgelden die ze in rekening brengen. ’s Werelds grootste wetenschappelijke uitgever, Elsevier, heeft een marktaandeel van 25 procent en meldde over 2008 een rendement van 33,4 procent. De tweede uitgever, Springer, maakt geen cijfers bekend, maar analisten schatten zijn rendement niet veel lager. Andere grote uitgevers doen het ook goed. Informa haalde 30,1 procent in 2008, en Wiley zelfs 41,2 procent.

Goedkoop zijn de abonnementen niet. De abonnementsprijs voor een tijdschrift van goede reputatie kan voor een bibliotheek tot tienduizend euro of meer oplopen – en er zijn er honderden van.

In 2007 gaven de 13 Nederlandse universiteitsbibliotheken zo’n 33 miljoen euro aan tijdschriftabonnementen uit. Dat zal dit jaar weer meer zijn, maar de budgetten van de bibliotheken stijgen niet of nauwelijks. “De abonnementsprijzen stijgen met zo’n 5 procent per jaar”, zegt Dick van Zaane, directeur van de bibliotheek van de Wageningen Universiteit. “De uitgeverijen zeggen dat ze steeds meer artikelen te verwerken krijgen en dat ze daardoor meer kosten maken. Maar ik kan me heel moeilijk voorstellen dat je dan jaar in jaar uit op 5 procent stijging uitkomt.” Veel keus hebben de UB’s niet. “Je hebt ze allemaal nodig”, zegt Van Zaane. “Springer en Elsevier hebben monopolies. Je kunt niet naar de concurrent.”

Winstgevend

Intussen zijn er al wel wetenschappelijke tijdschriften ontstaan waartoe iedereen toegang heeft. Bijvoorbeeld die van BioMed Central, een uitgever van een kleine 200 tijdschriften. Vanaf de oprichting in 2000 was het doel van de onderneming én open access te bieden én winstgevend te zijn. Ook stond voorop dat de tijdschriften aan peer review moesten doen: de in de wetenschap gebruikelijke methode van strenge beoordeling van de ingezonden artikelen door vooraanstaande onderzoekers. De Nederlander Jan Velterop hielp de initiatiefnemers van BioMed Central bij het vinden van het juiste business-model. “Je moet de geldstroom omkeren”, zegt hij vanuit Londen, waar hij woont. “Als je niet de abonnees maar de auteur laat betalen heb je open access, zonder enig probleem.”

In het model van BioMed Central betaalt de auteur voor de kosten van de peer review en de overige kosten, maar alleen als zijn artikel wordt geaccepteerd. Gemiddeld is zo’n author fee duizend euro. Vervolgens wordt het artikel gratis en voor iedereen beschikbaar op het net gezet. Velterop: “Je moet van het idee af dat de bibliotheken de publicatiekosten betalen. Dat moeten de financiers van onderzoek doen, die moeten in hun subsidies de publicatiekosten opnemen.”

Het model bleek te werken, Velterop kreeg een paar vooraanstaande onderzoekers mee en BioMed Central werd een winstgevende uitgeverij. Zó winstgevend, dat het bedrijf in 2008 door de gevestigde uitgeverij Springer werd gekocht. BioMed Central bleef wat het was: voor iedereen toegankelijk.

Een ander bekend voorbeeld is de Public Library of Science (PLoS). In 2003 besloot een klein comité van wetenschappers zelf een reeks tijdschriften op te zetten en met behulp van een aantal giften is dat ook gelukt. PLoS is een non-profit organisatie en geeft een zevental web-tijdschriften met peer review uit op het terrein van de bètawetenschappen. Ze zijn voor iedereen gratis in te zien. Ook hier worden de onkosten bestreden door de auteurs: als hun artikel wordt geaccepteerd betalen ze een bedrag dat tussen de 1200 en 2900 dollar ligt.

Wellcome Trust

Belangrijk is verder dat bij grote internationale financiers van wetenschappelijk onderzoek het inzicht groeit dat hun geld pas goed besteed is, als de onderzoeksresultaten in het publieke domein terechtkomen. Instellingen als de Britse Wellcome Trust (biomedisch onderzoek, budget 700 miljoen euro per jaar), de Amerikaanse National Institutes of Health (NIH, medisch onderzoek, 20 miljard euro), de 76 Max Planck-instituten in Duitsland (1,3 miljard euro) de European Research Council (900 miljoen euro) en de Europese Commissie (10 miljard euro in de komende 7 jaar) verbinden aan hun onderzoekssubsidies de voorwaarde dat de resultaten voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Als het niet meteen kan, dan in ieder geval binnen een half jaar. Sommige uitgevers hanteren namelijk een vorm van delayed open access, na een half jaar of een jaar mag iedereen de publicatie lezen.

Springer is daarin nog verder gegaan. “We zagen dat de wetenschappelijk wereld aan het veranderen was en we dachten: als onze klanten een andere manier van toegang willen, dan moeten we daar wat aan doen.” Wim van der Stelt is verantwoordelijk voor de open-access-activiteiten van Springer. Niet alleen kocht Springer BioMed Central, voor zijn eigen tijdschriften zette de uitgever het Open Choice model op: wie dat wil kan zijn publicatie op de website van de uitgeverij publiceren. Na betaling van een author fee, dat wel. Critici vinden dat er op die manier twee keer betaald wordt: de inkomsten uit abonnementen blijven immers bestaan. Van der Stelt: “Dat is tot op zekere hoogte waar. Maar het is een overgangssituatie en we weten nog niet waar we op uitkomen. Als het een succes is, zullen we de abonnementskosten verlagen.”

Nog vérstrekkender is een experiment dat Springer heeft opgezet met de Nederlandse bibliotheken, de Max Planck-instituten en de Amerikaanse universiteit van Californië (die 10 vestigingen telt). Alle publicaties van de onderzoekers van die instellingen zijn op het net te lezen, en de auteurs hoeven niets te betalen. De bedoeling is wel dat de bibliotheken hun abonnementen niet opzeggen. “Iedereen is benieuwd wat de nieuwe orde is”, zegt Van der Stelt. “Het is een experiment. We doen het nu twee jaar en we bekijken of we ermee doorgaan. We onderzoeken welke gevolgen het heeft voor de citaties en de reputatie.” En Springer zal ook wel benieuwd zijn of de inkomsten uiteindelijk gelijk blijven? “Nou”, zegt Van der Stelt, “gelijk blijven? Als het enigszins kan willen we natuurlijk groeien.”

Geen mode

Dus het gaat met open access toch de goede kant op? “De geest is uit de fles”, zegt Jan Velterop. “Het is geen mode, de trend is onomkeerbaar.”

Maar het gaat niet erg snel, vindt Leo Waaijers. Hij was directeur van de Delftse UB. Tegenwoordig is hij consultant en betrokken bij allerlei open access-projecten. “Het schuift langzaam op”, zegt hij. “Op de universiteit van Lund in Zweden is een register met alle open access tijdschriften. Dat register groeit met ongeveer twee à drie per dag. Zeg maar duizend per jaar. Maar als je bedenkt dat er 25.000 tijdschriften zijn, en dat er nu 4.000 open access zijn, dan hebben we nog 21 jaar voor de boeg.” Bij de belangrijke tijdschriften is de neiging om naar het open model over te gaan niet groot, signaleert Waaijers. Zeker niet bij de belangrijkste wetenschappelijke uitgever, Elsevier.

Daar wil Nick Fowler, director of strategy bij Elsevier graag wat tegen in brengen. “Wij zorgen er al 130 jaar voor dat de wetenschappelijke wereld maximaal toegang heeft tot de beste wetenschappelijke publicaties”, zegt hij. “En we staan individuele onderzoekers toe dat ze de preprints van hun publicaties op hun eigen website zetten of in repositories [zie kader] deponeren. Het is trouwens maar zeven procent van de publicaties dat daarin terechtkomt. De onderzoekers vinden het te veel gedoe.” Maar de publicaties in hun definitieve vorm mogen dus niet? Nee, zegt Fowler. “Wij zijn gevoelig voor het argument dat de belastingbetaler voor het onderzoek heeft betaald, maar wij betalen de kosten van de peer review en de correcties. Dus de definitieve versies zijn alleen met ons kwaliteitskenmerk en op onze eigen website te zien.” En alleen voor betalende klanten.

Wat moet er gebeuren om open access toch werkelijkheid te laten worden? Wie heeft de sleutel in handen? Van de onderzoekers zelf moet je niet te veel verwachten, zeggen bestuurders en bibliothecarissen. “Vaak weten ze niet waar je het over hebt”, vertelt Waaijers. “Ze zeggen vaak ‘we hébben toch al open access, we kunnen toch overal bij?’ Ze kijken vreemd op als je hun vertelt dat anderen dat niet kunnen.” VU-rector Lex Bouter: “Ze gaan toch voor de toptijdschriften, en daarbij moet je ze niet te veel voor de voeten lopen.”

“Ik zou willen bekijken hoe je de uitgevers een rol kunt geven in een open access-model”, zegt Sybolt Noorda. “Meer als intermediairs, als organisatoren. Wat ze doen, doen ze namelijk heel goed. Ze organiseren de peer review en ik beschouw het als een illusie dat de wetenschappers dat zelf zouden kunnen.”

En verder zit er maar één ding op, zegt vrijwel iedereen. De financiers van onderzoek moeten open access verplichten, net als de Wellcome Trust, de NIH en de Max Planck-instituten hebben gedaan.

In Nederland wordt het meeste onderzoeksgeld verdeeld door NWO, zo’n 550 miljoen per jaar. NWO verplicht open access niet.

“Ik ben er voorstander van dat NWO open access als voorwaarde aan zijn subsidies verbindt”, zegt KB-directeur Bas Savenije. “Het is belastinggeld dat ze verdelen.”

“Van NWO hoor je niks”, zegt Jan Velterop.

“De financiers hebben de sleutel in handen”, zegt Leo Waaijers. “Maar NWO is de grote afwezige in dit proces. Ze hebben in 2005 de Berlin Declaration ondertekend, maar wat doen ze eigenlijk?”

Dat vragen we aan NWO. Via de voorlichter laat de instelling weten “in principe positief tegenover open acces te staan”. Het komende half jaar hoopt de instelling “beleid te ontwikkelen”. Welk beleid? “Dat kunnen we niet zeggen, omdat we er nog mee bezig zijn.”

En de minister? Ronald Plasterk was tijdens zijn wetenschappelijke carrière een bekend voorvechter van open access, hij zat in de editorial board van PLoS Biology. Nu wil hij er alleen over zeggen dat er een werkgroep mee bezig is. En dat het doel is om over een jaar of vier tot een nationale licentie te komen, zodat behalve de universitaire gemeenschap ook anderen toegang krijgen tot wetenschappelijke literatuur.

Leo Waaijers heeft wel een idee waarom het zo langzaam gaat. “De uitgevers hebben een heel sterke internationale lobbyclub, de International Association of Scientific, Technical and Medical Publishers, de STM. Elsevier is daar dominant. Ze komen in driedelig grijs op de ministeries, dat is heel intimiderend. Ze zeggen dat de peer review bij open access teloor gaat – wat onzin is. En ze praten over verlies van werkgelegenheid. Ik zeg wel eens tegen de bibliotheken: weten jullie wel dat je je eigen anti-lobby financiert? Want die club wordt uiteindelijk toch uit de abonnementsgelden betaald.”