Een blos vergroot de lust

Wat maakt de mens uniek? In de zomer van het Darwinjaar zoekt de redactie wetenschappen naar antwoorden. Deze week: blozen.

Niets menselijker aan de mens dan zijn vermogen tot blozen. Of liever gezegd: aan haar vermogen tot blozen, want de vrouw bloost meer dan de man en de jonge vrouw weer meer dan de oude. Heel oude mannen blozen nauwelijks. Peuters blozen helemaal niet.

En niemand die weet waarom. En waarom niet.

Het is een raadsel zo groot dat je het een mysterie mag noemen. Het vermogen tot blozen onderscheidt de mens zo definitief van het dier dat in één klap duidelijk is waarom Desmond Morris er in The naked ape (1967) bijna geen aandacht voor heeft. Voor dat boek wou Morris niet weten dat de mens geen dier is.

Het heeft voor het dier ook weinig zin om te blozen, bromt een landerige lezer, maar die heeft het blote biggetje vergeten. Beter had hij kunnen zeggen: ze hebben vast niet bij alle dieren tussen hun haartjes gekeken. Dat is natuurlijk waar.

Nico Frijda noemde het blozen in zijn boek The emotions in 1986 zonder omhaal ‘een slecht begrepen reactiepatroon’ en als de waarneming niet bedriegt is de wetenschap sindsdien niet veel verder gekomen. Boeken en artikelen genoeg over het blozen, maar het merendeel is vrijblijvend gefantaseer.

Anatomen en fysiologen verliezen zich in minutieuze beschrijvingen van het bloosmechanisme, de zenuwen, de bloedvaten en hun samenspel. En vrouwen geven vrouwen tips voor het onderdrukken van het blozen, want dat wordt tegenwoordig als pijnlijk beschouwd. Daarmee is een cirkelgang ontstaan. Men bloost vaak uit gêne, maar het blozen zelf wordt als zo gênant ervaren dat de gedachte aan blozen de blos al opwekt. Het is Frijda niet ontgaan.

Niet dat er niet lang genoeg is nagedacht over het blozen. Al in de negentiende eeuw verschenen lijvige Britse studies over het rood worden. Nooit is er heviger gebloosd dan in die negentiende eeuw door Engelse meisjes. Die bloosden zelfs in hun eentje, in bed, met het licht uit. Blozen is dus ten dele ook een tijdsverschijnsel. Maar het is ook erfelijk, er zijn families van intense blozers. Zelfs de manier waarop wordt gebloosd (eerst de ene wang dan de andere) wordt van moeder op dochter doorgegeven.

Een van de kernvragen in het wonder van het blozen is: wat is dat toch precies dat het blozen op gang brengt. Het is lang niet alleen gêne en schaamte, noteert Charles Darwin in The expression of the emotions in man and animals (1872). De bescheiden held die uitblonk op het slagveld en daarvoor later, in gezelschap, onverwachts geprezen wordt, kan pardoes vermiljoen kleuren. Darwin dacht dat het de plotselinge aandacht was die ’t hem deed. De blozer maakt zich zorgen over zijn uiterlijk, hij denkt aan zijn gezicht. En vanzelf wordt dat dan beter doorbloed, ook andere lichaamsdelen reageren subiet op extra aandacht: speekselklieren, melkklieren, blaas.

Nico Frijda was opgevallen dat er vooral gebloosd wordt als de plotselinge aandacht ambivalente gevoelens opwekt. Een medemens toont erotische belangstelling die wel gewaardeerd wordt maar niet zomaar beantwoord kan worden. Misschien heeft Freud ook over blozen nagedacht.

Heeft het blozen biologische betekenis? Brengt het iets bruikbaars bij de omstanders teweeg? Zeker is dat niet. Ook pikzwarte negers blijken te blozen, maar dat is alleen te zien bij albinovormen van die pikzwarte negers. Ervaringsdeskundigen menen dat een goede blos inderdaad de lust vergroot, maar lang niet bij elke blozer. Wikipedia heeft een foto van een girl-with-scarf die zo lief bloost dat je wel geneigd bent mee te gaan in Frijda’s vermoeden dat het blozen vooral een kalmeringssignaal is. Tegelijk doet dat meisje-met-sjaal iets wat ook Darwin al beschreef: zij probeert haar gezicht te verstoppen. Dat is om gek van te worden: een signaal geven dat je probeert te verbergen.