De Kantfabriek in Horst: zacht én stoer museum

De kunstredactie bezoekt kleine musea in Nederland. Dit keer Museum De Kantfabriek in het Limburgse Horst. Deel 1 in een serie.

De Raschelmachine heeft ruim vierduizend witte draden nodig om de 180 centimeter brede lap met kantpatronen te produceren. Wanneer de lap af is, worden de verschillende patronen over de hele breedte doorgesneden en ontstaan er losse stroken kant. Als er één draadje niet goed is bevestigd, raakt het patroon volledig in de knoop. „Deze machine is veel storingsgevoeliger dan de kantklosmachines verderop in de fabriekshal”, vertelt Jan Jansen, voorzitter van Stichting de Kantfabriek. Samen met zijn echtgenote Ietje Janssen-van Stratum bestiert hij het nieuwe multifunctionele Museum De Kantfabriek dat deze zomer officieel is geopend.

Stichting de Oudheidkamer in Horst kreeg in 2006 de gelegenheid de kwakkelende Zuid-Nederlandse Kantfabriek over te nemen. „De dag voor het notarieel transport is er nog kant geproduceerd en de stichting kocht dus een werkende fabriek”, vertelt Janssen die van het begin af aan betrokken was bij het inrichten van het museum. De meeste machines zijn verkocht, alleen de zes kantklosmachines en de Raschelmachine werden opgeknapt en opnieuw ingeregeld om ze te kunnen demonstreren aan bezoekers. Ietje Janssen drukt op een aantal knoppen en brengt de kantklosmachine in beweging. Terwijl de klosjes om hun eigen as draaien en het patroontje vlechten zijn er series wisselende ritmische klikgeluiden te horen. Elke machine had destijds een eigen ‘operator’ in een soort denkbeeldig vierkant om de machine heen. Die operator moest op zijn post bij de zijn machine blijven om direct te kunnen ingrijpen bij een storing. De uitdrukking ‘in je eigen straatje blijven’ krijgt hier ineens betekenis. De combinatie kant en machines is een yin-yang achtige ervaring, het verfijnde van het witte kant en de techniek van de machines, vrouwelijk en stoer tegelijk.

Op de begane grond is een vaste opstelling met historische en nieuwe naaldkunst en zijn er twee maal per jaar wisseltentoonstellingen met eigentijdse textielkunst. Boven, in het woonhuis van de directeur en op de bovenverdieping van de fabriek zijn verder een kunstenaarsatelier, een ruimte voor workshops, leslokalen, en een documentatiecentrum ingericht. Op de zolder zijn vertrekken met dozen vol kantpatronen en andere fabrieksrestanten die nog moeten worden gecatalogiseerd.

Gezeten aan de strakke zwarte tafels en stoelen – een geschenk van het onlangs opnieuw ingerichte Audax Textielmuseum in Tilburg – steekt het gepensioneerde echtpaar van wal. Ze zijn razend enthousiast over ‘hun’ museum en als Jan even stopt met praten, vult Ietje zijn tekst naadloos aan. Als dank voor hun inspanningen hebben ze in juni allebei een lintje gekregen van de koningin.

De heide op de Peel, een zeer arme streek in Noord-Limburg, werd eeuwenlang begraasd door schapen voor de vleesproductie. Het bijproduct wol stelde de bewoners in staat om met weven wat geld bij te verdienen. „Omstreeks 1750 telde Horst nog zo’n vijftig thuisweverijen”, vertelt Janssen. De thuisweverijen legden de basis voor de textielindustrie die belangrijk was voor de economie van de streek. Behalve wol werd er thuis ook linnen gemaakt van het vlas dat de boeren gingen verbouwen. De velden waren in de zomer helder blauwgekleurd van de linumbloempjes.

In de fabriekshal staat een voorbeeld van zo’n thuisweverij opgesteld en het weefgetouw is dominant aanwezig in de kleine, eenvoudige woonkamer. Kantklossen met de hand was zeer arbeidsintensief en daardoor was het eindproduct kostbaar. De aanschaf van een grote kap of muts wordt door Ietje vergeleken met de aanschaf van bijvoorbeeld een keuken. Toen in 1928 de Zuid-Nederlandse Kantfabriek in Horst werd gesticht, werd het kant aanzienlijk goedkoper. Na de Tweede Wereldoorlog zakte de vraag in toen de vrouwen de klederdrachten in de kast lieten hangen omdat ze en masse waren gaan fietsen. Ietje Janssen: „Die kanten mutsen en die lange rokken waren natuurlijk vreselijk onpraktisch”. Behalve dat er minder vraag was naar kant was, kwam er meer concurrentie uit Oost-Europa en Azië. De Zuid-Nederlandse Kantfabriek was de dan ook laatste nog werkende fabriek in noordwest Europa.

Het nieuwe museum is nog volop in ontwikkeling en Jan Janssen hoopt dat het tekort van 150.000 euro op de begroting kan worden gedicht, zodat hij volgend jaar zijn budget aan marketing kan besteden, landelijk en over de grens. „En met tachtig vrijwilligers erbij zouden we ook meer dagen in de week open kunnen zijn.” Er wordt flink aan naamsbekendheid in de regio gewerkt via de plaatselijke media en de kabelkrant. Nu het museum enige tijd open is, lopen er mensen spontaan binnen die zich als vrijwilliger aanbieden. Tineke Geurts, medewerker van het museum die belast is met het werven van de vrijwilligers zegt over de telefoon „we zijn heel optimistisch, het gaat heel goed met het werven van mensen en er zijn zelfs plannen om per 1 januari zes dagen in de week open te zijn’’.