De ABP-voorzitter hoeft niet van beleggen te weten, wel van politiek

Het gaat even niet zo soepel met het ABP. Niet met zijn beleggingen, en ook niet met zijn bestuursbenoemingen. Met een belegd vermogen van 180 miljard euro is het een van de grootste pensioenfondsen ter wereld. Het is verantwoordelijk voor de oudedagvoorziening van 700.000 gepensioneerde ambtenaren en onderwijsmensen, en er zijn ruim twee miljoen actieve deelnemers die maandelijks via hun salarisstrookje premies in de beleggingspot storten. Vorig jaar zakte het fondsvermogen tot beneden het bedrag van de pensioenverplich-tingen. Dat is het soort bijna-doodervaring dat bij een bank insolventie heet, maar gelukkig werkt dat in de pensioenwereld niet zo. Niemand kan op het hoofdkantoor in Heerlen zijn hele pensioen contant opeisen. Dat geeft tijd, en tijd geeft raad.

Van die inzakkende beleggingen kan het ABP nog zeggen dat het de beweging van de markt was, want wie 180 miljard euro moet wegzetten, kan wel slechter maar amper beter scoren dan de markt. Maar bestuursbenoemingen zijn helemaal eigen verantwoordelijkheid, en ook daarvan heeft het een rommeltje gemaakt.

Zo werd tot april van dit jaar het bestuur voorgezeten door ex-CDA-coryfee Brinkman. Die ging weg omdat hij voorzitter werd van de raad van commissarissen van de APG, de Algemene Pensioengroep. Dat is een afzonderlijke club, opgericht in 2008, die naar eigen zeggen „de collectieve pensioenregeling van overheids- en onderwijssectoren uitvoert”. Er is maar één speler in die sector, dus het is gewoon de beleggingsarm van het ABP waar kennelijk een aparte organisatie voor moest worden opgetuigd. Met een apart bestuur, een raad van commissarissen met een voorzitter, Brinkman dus, en een heuse afdeling concerncommunicatie. Wie op zoek gaat naar achtergronden, vermoedt dat deze verzelfstandiging een preëmptieve manoeuvre is om Brusselse ingrepen voor te zijn. Maar zonder degelijke uitleg ziet het eruit als organisatorische boulimie en baantjesmakerij, gefinancierd over de ruggen van de premie betalende ambtenaren en onderwijsmedewerkers.

Brinkman moest dus worden opgevolgd. Nu is het ABP een stichting, met een bestuur dat zelf voorziet in zijn voorzitter. Dat werd de commissaris van de koningin in de provincie Noord-Holland, Borghouts. Die had zich juist onderscheiden doordat de provincie onder zijn leiding 78 miljoen euro had weggezet bij een IJslandse bank die later failliet ging. Dat was geen sterk verhaal voor een voorzitter van een groot pensioenfonds, maar ook de Provinciale Staten van Noord-Holland waren er niet blij mee dat Borghouts op meer borden tegelijk probeerde te schaken, en te verdienen. Onder druk gaf hij zijn nevenfuncties op en was voor het ABP niet meer beschikbaar. Het ABP-bestuur moest dus opnieuw een voorzitter zoeken. Het werd de VVD’er Nijpels, die in 2008 was teruggetreden als commissaris van de koningin in de provincie Friesland. Wellicht wijs geworden door de toestanden rond Borghouts legde die onmiddellijk zijn financiële nevenfuncties neer. Dat kwam nog goed uit ook, want een daarvan was een commissariaat bij de DSB bank. Die was juist onder vuur komen te liggen van de Autoriteit Financiële Markten wegens te agressieve verkoop van leningen – terwijl Nijpels toezicht hield of had moeten houden.

De Nederlandse bond van Pensioenbelangen NBP, waarbij een groot aantal ABP-gepensioneerden is aangesloten, is woedend, en vindt de benoeming van Nijpels kenmerkend voor de regentenmentaliteit in Nederland. „Wat brengt hij voor financiële expertise mee? Hij komt voor 70.000 euro een paar dagdelen werken. De gepensioneerden hebben recht op meer dan een parttimer.”

Het ABP bagatelliseert deze kritiek door „een woordvoerster” te laten zeggen dat „van een nieuwe voorzitter niet wordt verwacht dat hij kan beleggen. Wel dat hij kan besturen.” En verder dat die paar dagdelen per week wel meer kunnen worden als er problemen komen. Dat moet een hele geruststelling zijn voor de pensioenbelangenbond.

Het zal wel aan de flauwte van de zomerperiode liggen, maar het is allemaal zo slap, zo knullig, zo neerbuigend ten opzichte van de pensioenspaarders die wel mogen betalen, niets mogen zeggen en zich met kluitjes in het riet moeten laten sturen. Waarom neemt het ABP niet de moeite, de mensen voor wie het een fiduciaire verantwoordelijkheid draagt, serieus te nemen en hun te vertellen dat het nodig is een man als Nijpels op hoog niveau aan boord te hebben? Want zo moeilijk is dat niet. Iemand in het bestuur moet even kunnen bellen met de president van De Nederlandsche Bank of met de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën. Het grootste risico voor het ABP, op een beleggingsramp na, is dat de overheid een greep naar het stuur of in de kas doet. We zien het al gebeuren, bijvoorbeeld met het ideetje van minister Bos (Financiën, PvdA) om pensioenfondsen verplicht nationale kampioenen te laten financieren. Verder zal de overheid, in de schrale tijden die eraan komen, ernstig willen beknibbelen op pensioenafdrachten, of druk uitoefenen op het ABP om te beleggen in staatsleningen met een paar procent minder rendement. Allemaal dingen die gunstig zijn voor de schatkist, maar niet voor de pensioendeelnemers.

Het ABP en nog een stuk of wat pensioenfondsen in dit land zijn vette ganzen die rondwaggelen tussen likkebaardende vossen. Door hun omvang zijn zij politieke factoren van betekenis, en lopen zij politieke risico’s. Wie dat gewoon hardop zegt, geeft een serieus antwoord op serieuze vragen. En maakt daarmee het belang van een ervaren politicus in het bestuur duidelijk.