Coach van alle mensen wilde en zou nooit iemand pijn doen

Voetbalcoach en mijnwerkerszoon Bobby Robson deed geen cursus management of coaching. Hij was puur en luisterde nog naar zijn spelers.

Een vriend van iedereen was Robert William (Bobby) Robson. Hij was een voetbalcoach die het beste uit spelers haalde, omdat hij ze als mens wilde zien – of ze nu uit Engeland, Portugal, Spanje, Nederland, Canada of Brazilië kwamen. Zijn leven lang was de gisteren op 76-jarige leeftijd overleden mijnwerkerszoon uit Sacriston begaan met mensen. Hij wilde ze begrijpen, naar ze luisteren. En vooral: hij wilde ze geen pijn doen.

Robson hield van mensen én van voetbal. Hij leefde voor voetbal, sinds hij in zijn jonge jaren in Durham, Noord-Engeland, deze sport leerde kennen als uitlaatklep. Hij was trots op zijn vader, die als mijnwerker geen dag verzuimde: discipline, werken en passie. Op zijn vijftiende moest Bobby werken, hij werd elektricien. En een goede voetballer. Hij speelde voor Fulham, West Bromwich Albion en voor het Engelse elftal, twintig keer.

Maar bovenal was hij een coach, een people manager, is de moderne term. Robson had geen cursus management of coaching nodig, las geen boeken over optimisme en positivisme, laat staan sportpsychologie en spiritualiteit. Hij was puur, zag in iedereen een medemens. In het boek Don’t shoot the manager, van zijn oud-collega voetballer Jimmy Greaves, vertelde hij hoe zijn eerste coach Vic Buckingham spelers in het bijzijn van ploeggenoten uitschold. Dat nooit, wist Robson. Hij verafschuwde coaches die spelers vernederden. „Dat zal ik als coach nooit doen”, beloofde hij. Hij haatte journalisten die uit waren op geruchten, hij haatte bestuurders als PSV-voorzitter Harrie van Raaij, die zich met zijn beleid bemoeiden. „De voorzitter zou beter kunnen zwijgen, anders schiet ik hem door zijn hoofd.”

Bij PSV was hij tweemaal trainer. Met succes. Maar om te zeggen dat hij werd overladen met complimenten, nee. Als mens vonden spelers hem prijzenswaardig. Zijn trainingen waren niet bijzonder en zijn tactisch vernuft zou nergens op slaan. Stan Valckx, destijds speler, verwoordde het goed. „Wij doen in Nederland heel gewichtig over spelsystemen. We vergeten dat een wedstrijd negen van de tien keer door andere zaken zoals strijd wordt beslist. Eén Nederlandse journalist maakte hem af, en iedereen nam het over.”

In Nederland werd hij niet gewaardeerd. De complimenten van onder andere PSV-zijde nu Robson is gestorven, komen hypocriet over. Feit is dat de Engelsman door spelers en bestuurders van toen als trainer werd bekritiseerd en als coach werd geprezen. Guus Hiddink nam het voor hem op. „Ik heb alles van hem geleerd wat ik als coach nodig had.”

Maar ook in Engeland (als bondscoach) en in Spanje (als coach van Barcelona) had Robson het zwaar. De media zagen hem als een sympathieke passant, een man die de vrede bewaarde en de club door woeste wateren loodste.

Maar hij won wel titels en bekers. Zoals met Ipswich Town in 1981 de UEFA Cup, AZ werd verslagen. Ipswich-speler Alan Brazil zei tegen me: „Door Robson heb ik gewonnen, door hem heb ik mezelf leren kennen.”

Met het Engelse elftal drong coach Robson door tot de halve finale van het wereldkampioenschap van 1990. Engeland verloor door strafschoppen van Duitsland. Robson werd onderscheiden en droeg sindsdien de naam Sir Bobby. Afgelopen weekeinde kwamen de Engelse en Duitse spelers van toen bijeen in het stadion van Newcastle United, de club waaraan hij tot 1994 was verbonden, voor een wedstrijd ten bate van het kankerfonds van Robson. De coach van alle mensen was er ook. Hij zat in een rolstoel en lachte, zoals hij altijd lachte – juist onder moeilijke omstandigheden.

Sinds 1991 leed Robson aan vijf verschillende soorten kanker. Toch won altijd won de humor. De spelers van Ipswich, Barcelona, Sporting Lissabon, Porto, PSV, Newcastle United en het Engelse elftal waardeerden hem vooral daarom. Omdat hij mensenkennis had, zich nooit , maar dan ook nooit geroepen voelde uit te dragen dat hij de beste trainingen verzorgde of de beste tactiek had bedacht. Hij stond na afloop in Rotterdam van de Europa Cup-finale voor bekerwinnaars tussen zijn club Barcelona en Paris St. Germain en deed wat elke coach behoort te doen: hij overlaadde zijn spelers met complimenten.

Spaanse journalisten vroegen hem of hij het jaar daarop weer coach dacht te zijn, Nederlandse journalisten vroegen hem wat hij vond van zijn vermoedelijke opvolger, Louis van Gaal. Robson lachte en zei later in een hoek tegen Britse journalisten: „Ik wilde dat de Spaanse en Nederlandse journalisten eens vroegen naar de prestaties die Ronaldo, Guardiola en Leonardo hadden geleverd. Maar ze hebben het over de toekomst, niet wat nieuws is. Niet over mensen.”

Sir Bobby lachte graag. Zijn gevoel voor humor won het vaak. Zijn gevoel voor wat de mensen beweegt, won het altijd. Ook als je niet wint, is er leven. Zoals hij afgelopen weekeinde zei: „Voetbal gaat over je tegenstander verslaan, maar er is geen tegenstander. Je leeft samen, met winst en verlies.”