Beleefdheid is de meeste Nederlanders totaal vreemd

Sociale conventies dienen als uiting van achting voor anderen. Het zou beslist geen kwaad kunnen als dat Nederlanders wat meer werd bijgebracht, meent Christoph Driessen.

Zijn Nederlanders onbeleefd? Voor mij, als Duitser, zou het onbeleefd zijn deze vraag met ‘ja’ te beantwoorden. Laat ik zeggen: de Nederlanders zijn direct – veel directer dan andere volkeren.

Behalve in Duitsland heb ik ook enkele jaren in Nederland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gewoond. Alleen in Nederland is het me gebeurd dat op mijn verjaardag een vriendin me opbelde om te zeggen dat ze gewoon geen zin had om naar mijn feestje te komen, en dat ze liever een duinwandeling ging maken.

In Duitsland en beslist in Amerika – om van Engeland maar te zwijgen – zou men zijn toevlucht hebben genomen tot een leugentje om bestwil, maar Nederlanders vinden nu eenmaal dat je je vrienden nooit mag voorliegen, maar dat je het beste altijd duidelijk en ronduit kunt zeggen wat je vindt.

Toen ik na zes jaar Nederland naar Engeland ging, moest ik er helemaal aan wennen dat je daar nooit iemand zomaar kunt zeggen wat je vindt. In het begin begreep ik niet altijd goed wat de Engelsen precies wilden zeggen. ‘That’s an unusual outfit’ betekent namelijk niet ‘Wat een aparte kleren’, maar ‘Je loopt voor gek!’ En ‘That’s an interesting thought’ zou in het Nederlands vaak zoiets betekenen als ‘Dat raakt volgens mij kant noch wal’.

Zelfs de toeristen valt al op dat het in de Londense Underground wellevender toegaat dan in een Amsterdamse tram. Als je een Brit op zijn tenen trapt, zal hij tot je verbazing ‘sorry’ zeggen. En hoe Engelsen in de rij staan, is een geval apart.

Volgens de hoogleraren antropologie Joseph Henrich en Robert Boyd is die „vrijwillige interactie met volslagen vreemden” de „hoogste vorm van coöperatief groepsgedrag”. Het echte in-de-rij-staan is een vak op zich. De afstand tot de persoon voor je luistert heel nauw – als vuistregel heeft de Guardian eens geadviseerd om zoveel ruimte te laten „als wanneer je danst met oud-tante Hildegard”.

Dergelijke finesses zijn de Nederlander doorgaans vreemd. Zijn grondhouding ten aanzien van beleefdheidskwesties wortelt diep in de Nederlandse geschiedenis, of liever: in het calvinisme en in de republikeinse staatsvorm van de zeventiende en achttiende eeuw. Het gaat de calvinist om het wezen van de dingen, om wat werkelijk belangrijk is – al het overige is nutteloze ballast, die van het wezenlijke afleidt. Daarom geldt hoffelijkheid in Nederland al snel als huichelarij.

Evenzo heeft het republikeinse staatsbestel een zeer directe en ongecompliceerde omgang met elkaar in de hand gewerkt. In andere landen zijn de omgangsvormen vooral ontwikkeld door de aristocratie. In het Duitse woord voor beleefdheid, Höflichkeit, zit het woord ‘hof’, zoals in ‘vorstenhof’ of ‘koninklijk hof’. Lange tijd is in etiquettekwesties het hof van Versailles toonaangevend geweest.

Ook in de Engelse klassenmaatschappij zijn de goede manieren geperfectioneerd door de bovenlaag; ze dienden ook om zich af te schermen van de lagere klassen. De Zweedse anglist Mats Deutschmann concludeerde in 2003 in een studie over de Engelse hoffelijkheid (Apologizing in British English): wie vaak sorry, pardon en excuse me zegt, onderstreept daarmee zijn maatschappelijke positie, beschaving en hoge stand. „Het zijn vooral de machtigen die zich verontschuldigen tegenover de machtelozen”, aldus Deutschmann.

Zo bezien zouden de goede Engelse manieren in wezen niets anders zijn dan manipulatie. Een autoritaire militaire staat als Pruisen droeg daarentegen meer het stempel van onderdanigheid dan van hoffelijkheid; het maatschappelijk leven was er streng hiërarchisch geordend. Die tijd ligt sinds lang achter ons, maar tot op heden worden directeuren van bedrijven in Duitsland bejegend met strijkages die in Nederland ondenkbaar zouden zijn.

In Nederland heerst een volstrekt andere traditie dan in Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk of Spanje. Al in de zeventiende eeuw merkten buitenlandse bezoekers telkens weer op dat in deze merkwaardige ‘volksrepubliek’ rangen en standen waren afgeschaft en iedereen gelijk behandeld werd. Dat was weliswaar sterk overdreven – in de republiek had een kleine elite van burgers het voor het zeggen –, maar wie thuis een absolutistische monarchie gewend was, kon moeilijk een andere indruk krijgen. Een Fransman berichtte bijvoorbeeld: „Het is volstrekt niet ongewoon om een schooier, een armoedzaaier, in een woordenwisseling met een eerzaam burger te horen uitroepen: ‘Jij mag dan rijker zijn, je bent geen haar beter dan ik’, en meer van dat soort moeilijk te verteren beledigingen.”

De Hollandse raadpensionaris Johan de Witt was bij tijd en wijle machtig genoeg om de plannen van de Zonnekoning te kunnen dwarsbomen, maar op straat was hij niet te onderscheiden van een gewone burgerman. Toen hij ter gelegenheid van een inspectie van de oorlogsvloot bij uitzondering eens niet eenvoudig in het zwart, maar in een met gouden en zilveren stroken versierd gewaad verscheen, werd hij niet met respect ontvangen, maar op gelach onthaald. Zelfs zijn eigen secretaris liet zich slechts met de grootste tegenzin overreden om zijn hoed af te nemen wanneer hij met De Witt sprak. Later heeft de man De Witts vijanden geheime stukken in handen gespeeld, wat hij rechtvaardigde met het argument dat zijn baas hem met de eis zijn hoed voor hem af te nemen, dodelijk beledigd had.

Ook in het negentiende-eeuwse koninkrijk is nooit een hofcultuur tot ontwikkeling gekomen. Nederland bleef een land van kramers, een land van stugge kooplui zonder voorname bovenlaag.

In de jaren zestig van de twintigste eeuw zijn in vele landen studenten en andere jongelui op de barricaden geklommen om het gezag van hun ouders, de kerk en de overheid op losse schroeven te zetten. In een land als Duitsland heeft dat een heilzame uitwerking gehad. Sindsdien kun je in Duitsland vrijer ademen en is de samenleving democratischer en menselijker geworden. Achterhaalde omgangsvormen zijn afgeschaft.

Ikzelf, geboren in 1967, moest op mijn katholieke kleuterschool bijvoorbeeld nog een Diener – een diepe buiging – maken wanneer de pastoor op bezoek kwam. De meisjes maakten een Knicks. Ik ben blij dat mijn kinderen dat niet meer hoeven te doen.

Ook in Nederland zullen niet veel mensen terugverlangen naar de naoorlogse, verzuilde samenleving. Toch is de balans van de jaren zestig hier naar mijn mening niet onverdeeld positief. In Nederland was er immers geen loodzware autoritaire traditie waarvan men zich moest bevrijden.

In plaats daarvan zijn waarden als respect, consideratie en zelfbeheersing over de gehele linie in diskrediet geraakt. Pim Fortuyn heeft dat met zijn credo ‘Ik zeg wat ik denk’ nog eens versterkt. ‘Ik zeg wat ik denk – en wat anderen daarvan vinden, zal me een zorg zijn’ – dit lijkt me inderdaad een houding die in Nederland veel voorkomt. Uiteraard moet iedereen kunnen zeggen wat hij denkt, maar het gaat erom hóé je het zegt. Hoffelijkheid is ook de kunst om anderen onaangename zaken op een aangename manier duidelijk te maken.

Uiterlijke beleefdheidsvormen en sociale conventies mogen natuurlijk nooit doel op zich zijn, maar dienen als uiting van achting voor anderen. Het zou beslist geen kwaad kunnen als dat in het gezin en op school weer wat meer bijgebracht werd.

Doordat uiterlijke vormen tot gewoonte zijn geworden, hoef ik ook niet iedere keer af te wegen of ik nu werkelijk moet opstaan voor die oude vrouw in de bus. Wanneer het opstaan een automatisme geworden is, maakt dat je leven gemakkelijker.

Is dat on-Nederlands? Nee, want het is beslist niet zo dat je in Nederland alleen maar onbeleefde mensen ontmoet.

Ik heb hier veel gezegd over de Engelse hoffelijkheid, maar die kan ook, in die uitgesproken klassenmaatschappij, neerbuigend zijn en gepaard gaan met ijzige afstandelijkheid. Wel, dat zul je in Nederland, waar het vlakke landschap zich van oudsher in het maatschappelijk leven voortzet, niet gauw beleven. Wanneer Nederlanders vriendelijk zijn, komt dat meestal echt uit het hart, en dat is de mooiste vorm van hoffelijkheid.

Christoph Driessen is historicus en journalist. Dit jaar verscheen in Duitsland zijn boek Geschichte der Niederlande Von der Seemacht zum Trendland.