Belangrijke joggers

Moeten wereldleiders, belangrijke politici, Bekende Burgers in het publiek laten zien hoe sterk, vlug en lenig ze zijn? De eerste keer dat ik me dit afvroeg was toen ik op de televisie Bill Clinton zag joggen. Een soepele draver, gevolgd door twee plichtmatig meedravende lijfwachten. De president had er zin in, de lijfwachten niet. Dat kon je aan de gezichten zien. In Rusland was Boris Jeltsin aan het bewind. Het tegendeel van een jogger. Bij ons Wim Kok. Ook nooit zien draven.

In Moskou is toen Vladimir Poetin verschenen, een man van een ander slag, afkomstig uit de KGB, mager, gespierd en met een oogopslag alsof hij zijn gesprekspartner ieder ogenblik in een houdgreep kon nemen. Hij heeft zich ook weleens in zo’n vechtpak laten fotograferen, geloof ik. Daar was niets onnatuurlijks aan, en toch, je kunt zeggen wat je wilt, hij is ook een bekwaam staatsman. Dat vechten van hem lijkt me een natuurlijke liefhebberij, waarmee hij waarschijnlijk al begonnen is toen hij een jaar of tien was. Het judo van Poetin hoort erbij, is functioneel.

Afgelopen zondag is Nicolas Sarkozy bij het joggen in de tuin van zijn buitenverblijf ingestort, met een helikopter naar een ziekenhuis in Parijs gebracht en daar weer opgeknapt. Ik hoop dat hij iets van die ineenstorting heeft geleerd en ik wens hem een levenslange gezondheid. Maar afgezien daarvan, deze Franse president heeft iets in zijn persoonlijkheid wat erom smeekt in het openbaar te gaan joggen en verder alles te doen wat zijn publieke rusteloosheid moet bewijzen. Als hij een gewone burger was, zou je zeggen: te veel gedoe.

In ons cafeetje hadden we het erover. Een van de vrienden bracht Winston Churchill ter sprake. Als iemand een rusteloos leven heeft gehad, dan is hij het het wel. Oorlogscorrespondent in de Boerenoorlog, politicus, onversaagd oorlogsleider, historicus, schrijver van zes delen geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, winnaar van de Nobelprijs, whiskydrinker en sigarenroker. Toen iemand hem vroeg hoe hij dat allemaal voor elkaar had gekregen, zei hij: „No sports.” Hij is 91 jaar geworden.

Een halve eeuw geleden dacht je er niet aan, voor je plezier of je gezondheid een kilometer of vijf of tien te gaan rennen. Gewone mensen trokken een sprintje als ze de tram wilden halen en dat was dat. De anderen die langer renden waren atleten, of nog serieuzer, marathonlopers. Toen kwam Jim Fixx, een man die in 1967, aan het begin van zijn nieuwe carrière 35 jaar was, 110 kilo woog en twee pakjes sigaretten per dag rookte. Dat, geloofde hij, kon niet lang meer goed gaan. Toen is hij met rennen begonnen. Tien jaar later waren er dertig kilo af, drie kilo per jaar, en hij rookte niet meer. Hij schreef een boek, The Complete Book of Running, waarvan meer dan een miljoen exemplaren zijn verkocht. In 1984, toen hij 52 was, is hij aan een hartaanval gestorven. Dat veroorzaakte bij sommige, tot zwarte humor geneigde cabaretiers weer enig leedvermaak.

Maar intussen had het joggen in Amerika wortel geschoten. Op zondag, en dan vooral in het Central Park, zie je hordes dravenden. Veel jonge mensen die geen gram te zwaar waren, maar toch, voor alle zekerheid, je kon nooit weten. Daarna kwamen de gyms in gebruik, instellingen waar je bij slecht weer op de lopende band kon draven en dan op een klokje kon zien hoeveel kilometer je had afgelegd. Naast zo’n gym was dan een Kentucky Fried Chicken of een McDonald’s gevestigd waar de toekomstige dravers aan hun vervetting zaten te werken.

Joggen is een Amerikaanse uitvinding. Het nadert tot het perpetuum mobile van de lichaamsfuncties: het eten en rennen, eten en rennen tot je erbij neervalt. Maar zo is het niet. Het joggen heeft een eigentijdse onaantastbaarheid gekregen, een geur van seculiere heiligheid.

Ik zie ze voorbij draven, al jaren. Er zit een hiërarchische ontwikkeling in. Vroeger bleven ze allemaal op de stoep, nu zijn er meer en meer die het fietspad kiezen. Dan, bij een hek, de leuning van een brug maken ze plotseling halt en gaan bewegingen maken waarvan je zou denken dat die bij het gebed van een nog weinig bekende godsdienst horen. Eén keer ben ik uit nieuwsgierigheid dicht langs zo iemand gelopen. Een man van een jaar of veertig. Terwijl hij zijn oefeningen deed, hijgde hij zwaar en keek wanhopig naar de hemel. Uit medemenselijkheid ben ik een eindje verder blijven staan. Opeens draafde hij verder, ik neem aan dat het goed is afgelopen.

Denk niet dat ik iets tegen joggen heb. Maar toch, laat Sarkozy een waarschuwing zijn.