Vervloekte broeders van de kust

Piraten behoren tot de ikonen van het verleden, maar waaruit bestond piraterij nu precies en waar speelde het zich af? Twee grondige studies bieden inzicht.

Henry Morgan, berucht boekanier, politicus en legeraanvoerder Uit besproken boek van Jon Latimer . Jon Latimer: Buccaneers of the Carribbean. How Piracy forged an Empire, 1607-1697. Weidenfeld & Nicolson, 342 blz. € 36,90

Jon Latimer:Buccaneers of the Carribbean. How Piracy forged an Empire, 1607-1697. Weidenfeld & Nicolson, 342 blz. € 36,90

Lawrence A. Peskin: Captives and Countrymen. Barbary Slavery and the American Public, 1785-1816. J. Hopkins University Press, 256 blz. € 51,35

Er is geen beroepsgroep die zo sterk verheerlijkt én zozeer vervloekt is, als de piraterij. Piraten zijn verheerlijkt als vrijbuiters met lak aan elke vorm van overheidsregulering, Robin Hoods ter zee, maritieme democraten die geen hiërarchie duldden. Ze zijn vervloekt als gewetenloze, goddeloze rovers, die geen groter vermaak kenden dan met een fles rum in de hand hun slachtoffers aan de ra te zien bungelen. Van al die clichés is wel iets waar. Maar piraterij is zo’n complex verschijnsel dat je goed moet kijken over wie je het hebt, en waar en wanneer.

In principe bestaat er een onderscheid tussen piraten, vrijbuiters, zeerovers, filibusters en boekaniers aan de ene kant, en kapers aan de andere. Kapers voeren tijdens een oorlog op een schip waarvan de eigenaar van de overheid een kaperbrief had gekregen. Daarin stond de toestemming om gedurende de oorlog jacht te maken op schepen van de vijand. In de thuishaven werd de buit verdeeld tussen de opvarenden, de eigenaar en de overheid. Dit was dus een particuliere, juridisch gelegitimeerde oorlogsvaart.

Gevreesd

Piraten daarentegen vielen zonder mandaat schepen aan, waar en wanneer het hun uitkwam. Zij werden dan ook door alle reguliere zeevarenden gevreesd en gehaat. In de praktijk viel het onderscheid tussen piraten en kapers niet altijd scherp te trekken.

Europeanen hadden vooral last van piraten in twee gebieden: in de Middellandse Zee en in het Caraïbisch gebied. In de Middellandse Zee vormden de Barbarijse zeerovers een permanent gevaar. Vanuit Marokko, Algerije en Tunesië kruisten deze Arabische piraten in de Middellandse Zee en voor de noordwestkust van Afrika tot in Noord-Europa aan toe. Wie in hun handen viel wachtte een lot als slaaf op de galeien of op de Barbarijse kust. Wie geluk had werd na jaren losgekocht met geld dat thuis moeizaam was ingezameld met collectes en loterijen.

De piraterij van de Caraïben, het onderwerp van Jon Latimers boek, is een ander verhaal. Die boekaniers zijn eigenlijk de restanten van Engelse kaapvaart. Vanaf de tijden van koningin Elisabeth joegen Engelse, Franse en Nederlandse kapers (Piet Hein) op de Spaanse vloten die het Mexicaanse goud en het Zuid-Amerikaanse zilver veilig naar Cádiz moesten brengen. In vredestijd zetten Engelse kapers, aangevuld met weggelopen slaven, gedroste zeelui en soldaten, de zaak voort. Deze zeerovers leefden gedeelten van het jaar in hun schuilplaatsen op Tortuga (een eilandje aan de noordkust van Hispaniola) en later op Jamaica als jagers. Ze dankten hun naam aan de boucan, het houten staketsel waarop zij varkens en rundvee roosterden.

In twee opzichten onderscheidden de boekaniers zich van andere vormen van piraterij. Ze werkten gedurende langere perioden samen om hun prooi en hun strategie vast te stellen. Ze kenden geen regering en leefden volgens losse regels; de mannen woonden samen in kleine groepjes of zelfs in paren. In 1665 werd hun aantal op zo’n 1.500 man geschat. In tegenstelling tot wat Johnny Depp als kapitein Jack Sparrow in The Pirates of the Carribbean ons wil doen geloven, voeren ze niet op grote schepen. Ze waren zelfs niet eens heel goede zeelieden. Hun kracht lag in het vakkundige gebruik van kleine vuurwapens, hun onverschrokkenheid en het element van verrassing.

Het was een wrede wereld. Slachtoffers werden gemarteld om strategische informatie te verkrijgen of de plekken aan te wijzen waar goud of edelsten lagen. Piraten die zelf gevangen genomen waren, kregen meestal de strop. .

Het tweede verschil met andere piraten was dat ze toesloegen op het vasteland. Ze hebben tientallen Spaanse dorpen en steden geplunderd en verwoest. Daarom noemden zij zich ook wel ‘de broeders van de kust’. De Spanjaarden hadden zeer van deze boekaniers te lijden. Niet alleen raakten ze schepen en land kwijt, ook de toevoer van edelmetalen naar het moederland werd gereduceerd. Hierdoor werd de hele oorlogsindustrie benadeeld inclusief de bouw van nieuwe oorlogsschepen, waardoor de jacht op piraten nog moeizamer verliep. In het verval van het eens zo machtige rijk hebben deze boekaniers dan ook een grote rol gespeeld.

Latimer behandelt de strategieën van zowel de boekaniers en heel die schimmige, louche en bloedige wereld van piraten, kapers en smokkelaars (van suiker en slaven), als die van de admiraliteiten van de Europese naties. De sociale aspecten van de boekaniers komen iets minder aan bod. Een voorkeur voor details en de strikt chronologische opzet geven het boek soms iets boekhouderigs. Desalniettemin houden we een rijk en divers beeld van de boekaniers over. Opvallend veel aandacht heeft deze Engelse historicus voor de Nederlandse kant van het verhaal.

Aardbeving

Het einde van de boekaniers had diverse oorzaken. De Engelse marine begon al vanaf 1671 op hen te jagen, in 1692 trof een aardbeving Jamaica waarbij ook de vestigingen van de boekaniers werden verwoest. Na de Vrede van Rijswijk in 1697, toen Spanje ook Franse vestigingen in het Caraïbisch gebied moest toestaan, maakten Spaanse, Engelse en Franse vloten korte metten met de laatste boekaniers.

Ook aan die andere vorm van piraterij, de Barbarijse zeerovers, kwam een eind door internationaal optreden. Lawrence Peskin beschrijft het aandeel daarin van de VS. Na de onafhankelijkheid richtte de Amerikaanse koopvaardij zich ook op de Middellandse Zee, waar ze geconfronteerd werd met de piraten waar de Europeanen al eeuwen mee te kampen hadden. Op knappe wijze behandelt Peskin de vele contemporaine Amerikaanse geschriften over de Barbarijse zeerovers, romans, memoires van vrijgelaten gevangenen, pamfletten en brieven waarin ze smeekten om hulp. Peskins hoofdthema is de manier waarop de pers deze teksten verwerkte en de publieke opinie daarmee bespeelde.

In korte tijd realiseerde de jonge staat zich dat ze nu ook militair ver buiten de eigen grenzen moest opereren. Het Congres stuurde er uiteindelijk oorlogsschepen op af. Niet altijd met succes, maar voldoende om een nationaal gevoel van triomf op te wekken. De dagen van de Barbarijse zeerovers waren geteld, maar niet dankzij de Amerikanen. In 1816 bombardeerde een Nederlands-Britse oorlogsvloot Algiers waarbij de Algerijnse vloot ten onder ging. Toch doken er weer Noord-Afrikaanse piraten op. Pas in 1830 was het geduld op. Nu ging het initiatief uit van de Fransen, die met een sterke expeditiemacht Algiers innamen. Tunis en Tripoli hielden het kort daarna ook voor gezien, en zo eindigde na drie eeuwen ook dit type piraterij.

    • Roelof van Gelder