Het Britse Zwitserlevengevoel

In een zomerserie over bijzondere reisboeken deze week: Britse toeristen in verwarring op het Europese vasteland.

De hertog van Windsor en zijn toekomstige vrouw Bessie Wallis Simpson in Biarritz in 1934 Foto AP The Duke of Windsor and Bessie Wallis Warfield Simpson are seen on a holiday at Biarritz in 1934. (AP Photo) ASSOCIATED PRESS

Richard Mullen en James Munson: The Smell of the Continent. The British Discover Europe 1814-1914. Macmillan, 368 blz. €28,95

De anekdote staat wel op de omslag, maar is te mooi om hier niet na te vertellen. Reisschrijfster Frances Trollope hoort een Brit die in 1835 te Calais voor het eerst voet op Franse bodem zet, uitroepen: ‘Wat stinkt het hier!’ Waarop een ervaren trotter verklaart: ‘It is the smell of the continent, sir!’

Het is de titel geworden van de uitputtende geschiedenis die Richard Mullen en James Munson schreven: The Smell of the Continent. The British Discover Europe 1814-1914. Met de keuze van deze jaartallen hebben beide heren ongetwijfeld enigszins gesmokkeld. Honderd jaar oogt leuk, het jaartal 1914 roept associaties op, maar ik zou toch 1815 hebben genomen. Ik citeer een ooggetuige: ‘Op het uitgestrekte slagveld bij Waterloo zwierven overal nieuwsgierige Britten rond, die al het draagbare wat ze vonden als souvenir meenamen. Eén vrouw zag ik de vinger van een Pruisische officier afsnijden vanwege de kostbare ring die hij droeg.’

Het mag hier dan om ramptoeristen gaan, het zijn niettemin toeristen. Brutaal? We mogen niet vergeten dat de Britten Napoleon-overwinnaars waren en dat wilden weten ook. Mullen en Munson dissen niet voor niets het verhaal van de vader van de schrijver Thackeray op, die zijn hond Waterloo noemde, opdat hij het beest in de straten van Parijs luidkeels tot zich kon roepen.

The Smell of the Continent is een thematisch ingericht boek, waarin de hoofdstukken worden gegroepeerd rond vragen als ‘Waarom reist de Engelsman?’ of ‘Is de bagage veilig?’ en trefwoorden als comfort, hygiëne, voedsel, et cetera. Beide auteurs verzamelden een verbijsterende hoeveelheid materiaal, met een goede neus voor het saillante verhaal maar zonder een zeer strenge hand van selecteren. Vandaar het woord ‘uitputtend’. Het is een compliment. Boeken als deze horen bandeloos te zijn in het aandragen van meer en meer.

De stank-anekdote blijkt tekenend. De Britse reiziger tussen 1814-1914 loopt over van nationaal zelfvertrouwen. De reizende albionees waande zich voornaam, en ontleende daaraan het recht op comfort. Beschaving waarin comfort niet vanzelfsprekend was, was dus duidelijk minder beschaafd. Waarom zou men eigenlijk de moeite nemen zich naar elders te verplaatsen als men het thuis ook goed heeft? Zelf heb ik die vraag nooit naar tevredenheid kunnen oplossen, anderen hebben er minder moeite mee. Wat een Brit te Waterloo te zoeken had vermeldde ik reeds.

In ons Franse gehucht van tien huizen heb ik twee Britse buren. Ik bedoel maar. In eerste instantie was toerisme slechts weggelegd voor de (zeer) bemiddelden. Wie anders kon zich vrije tijd veroorloven? Gaande de 19de eeuw wordt het continentale reizen ook voor de middenklasse bereikbaar. Toen Keats in 1818 in Rome was telde hij 2.000 Britse toeristen, in 1863 bedroeg dit aantal naar verluidt 10.000.

Een handzame reisgids was van levensbelang. Murray zorgde er voor; zijn gidsen waren in het pre-Baedekertijdperk je van het. Thomas Cook werd de verpersoonlijking van het goedkope personenvervoer. Cook-toeristen, je had ze tot op de Vesuvius, waar Thomas Cook een spoorbaantje naar de krater aan had laten leggen.

Instructief zijn de observaties van de dienstmeid (!) die in 1863 met de familie Stevenson op reis ging naar Frankrijk en Italië. Te Menton nabij Parijs noteerde ze dat de koeien er met citroenen werden gevoed, Florence vond ze geurvrij, Vaticaanstad was een armoedige stad, vergeven van priesters. Katholieken waren sowieso ‘dwalende stervelingen’. Terug in Frankrijk beviel het land haar toch ook goed, ‘ook al zucht men er onder het bewind van de Man der Zonden’, waarmee ze doelt op de Paus. Scherp gezien.

Heel mooi in Smell of the Continent is het verschijnsel dat het de Britten een hekel aan Britten krijgen als ze elkaar in het buitenland steeds tegenkomen. Zo noteerde een Britse schrijver dat het Zwitserse Interlaken was bezet door ‘troops of trippers’ die de stupide gelaatsuitdrukking vertoonden van bergrunderen. Botaniseren was een geliefde tijdbesteding. Met Robinsons Alpine Flowers for English Gardens (1850) in de hand plukten de Britten half Zwitserland leeg.

The Smell of the Continent is een verrukkelijk vakantieboek, ook voor de thuisblijvers. Een boek om in te grasduinen zoals ik hier deed.

    • Atte Jongstra