Gek op de Edda

J.R.R. Tolkien: De legende van Sigurd en Gudrún. Bezorgd door Christopher Tolkien. Vertaald door Piet Verhagen en Renée Vink. Mynx, 378 blz. € 24,95

‘Van Schateiland werd ik niet warm of koud’, schreef J.R.R. Tolkien in zijn befaamde essay ‘On fairy stories’ (1939) over de leeservaringen in zijn jeugd. ‘Verhalen over de roodhuiden waren beter: daar had je […] vreemde talen, een vluchtige glimp van een archaïsche manier van leven en bovenal wouden. Maar het land van Merlijn en Arthur was nog beter, en het allerbeste was het naamloze noorden van Sigurd en de Völsungen en de vorst aller draken’.

Dat deze fascinatie hem later inspireerde tot zijn fantasyromans The Hobbit en The Lord of the Rings en hem als Oxfords hoogleraar Oudengels (en Oudnoors) vormde, is bekend. Maar tot voor kort wist niemand dat hij, geïnspireerd door de noordelijke mythologie zoals opgeschreven in de Edda en de 13de-eeuwse Völsunga Saga, daadwerkelijk twee verwante gedichten van samen ruim 500 strofen schreef. Zijn zoon Christopher (84), indertijd hoogleraar Engels en tegenwoordig redacteur van zijn vaders postuum verschenen werk, heeft het tussen 1920 en 1930 in modern Engels geschreven ‘nieuwe lied van de Völsungen’ en ‘nieuwe lied van Gudrún’ bewonderenswaardig nauwgezet en uitgebreid geredigeerd, gebundeld, en alsnog uitgegeven als De legende van Sigurd en Gudrún.

Dat een lang heldendicht veel In de ban van de ring-fans wellicht zal afschrikken, accepteert Christopher volledig. Dit werk, schrijft hij, ‘is bedoeld als een presentatie en verslag van zijn [Tolkiens] opvattingen, in zijn eigen tijd, over een literatuur die van groot gewicht was voor zijn eigen denken’. Het is dus een eigenzinnige interpretatie van oude heldensagen, die volgens Christopher qua geest en intentie geheel losstaat van het verhaal over de vervloekte ring van macht en van Siegfrieds en Brünnhilde’s noodlottige liefde, zoals bekend uit Wagners operacyclus Der Ring des Nibelungen (1876).

Uit een bijgevoegd, boeiend college over de ‘Oudere Edda’, dat Tolkien als gepassioneerd wetenschapper kenschetst, blijkt hoezeer hij bevangen was door ‘de bijna demonische energie’ van de Eddaïstische poëzie en dat het voelen daarvan ‘een van de grootste geschenken is’ die de Edda-gedichten je geven.

Tolkiens legende veroorzaakt helaas geen ‘schokeffect’: een complicerende factor is het Oudnoorse metrum dat Tolkien handhaafde. Maar dat de korte, krachtige, allitererende halve versregels je – in het Engels en het daarnaast afgedrukte volgzaam vertaalde Nederlands – je toch meevoeren naar het mysterie van het noorden, is onontkoombaar.

Tolkiens ‘legende’ over Sigurd ( ’t zaad van Völsung/ held der helden/ hoop van Odin) die de draak Fafnir doodt, Fafnirs vervloekte schat meeneemt, Brynhilds liefde verovert, haar verraad door Gudrún te huwen en Gudrúns verraad door Brynhild te minnen, én over Gudrún die – na Sigurds en Brynhilds dood – Hunnenvorst Atli trouwt, waanzinnig wordt en de ondergang van de Nibelungen inluidt (interessant is de parallel die Christopher trekt met de verwoesting van het Bourgondische Rijk door de Hunnen in 437), is niet het toegankelijkste, maar wel het puurste Tolkien-boek. Doorwrocht en oorspronkelijk commentaar gaat verrassend samen met een klassiek heldendicht over de tragische gevolgen van hebzucht en machtswellust: ‘Zo vergaat glorie/ en goud verbleekt,/ op gedruis en geraas/ daalt nu de nacht./ Verheft uw harten,/ heren en maagden/ om ’t lied van leed/ uit verleden eeuwen’.