Een toast op de zichtbare wereld

In twee postuum verschenen bundels schrijft John Updike over zijn naderende dood. Samen vormen ze een roerende afsluiting van een groots oeuvre.

Ongedateerd portret van John Updike (1932-2009) Foto Bloomberg Author John Updike poses in this undated photo released to the press on Thursday, June 4, 2009. "My Father's Tears" is Updike's final book of short stories. Source: Random House via Bloomberg News EDITOR'S NOTE: NO SALES. EDITORIAL USE WITH PREVIEW/REVIEW OF BOOK ONLY. Bloomberg News

John Updike: My Father’s Tears & Other Stories. Hamish Hamilton, 292 blz. €17,95.

John Updike: Endpoint and other poems. Hamish Hamilton, 97 blz. €20,85.

In het gedicht ‘Requiem’ in de bundel Endpoint and other Poems vraagt John Updike zich af hoe er op zijn dood zal worden gereageerd. ‘Oh, wat erg. Zo jong, nog zo vol / beloften...’? Nou nee, schrijft hij, eerder zal de reactie iets zijn als ‘ik dacht dat hij al lang dood was.’

Dit heeft iets van schmieren en koketteren, en Updike wist het, want hij bracht het gedicht onder in de rubriek ‘Light and Personal’. Want dat zijn dood, in januari van dit jaar op 76-jarige leeftijd, als een onverwacht verlies werd ervaren blijkt uit de reacties van lezers en beschouwers.

Maar zo genereus wat output betreft als John Updike tijdens zijn leven was (ruim zestig titels in een halve eeuw) zo genereus is hij ook in zijn nalatenschap. Al binnen enkele maanden na zijn dood verschenen tegelijkertijd een kloeke bundeling van zijn laatste verhalen en een indrukwekkende bundel poëzie, die tezamen het pijnlijke besef van het stilvallen van een van de allergrootsten van de Amerikaanse literatuur wat moeten verlichten.

In zowel verhalen als poëzie gaat het vooral over ouderdom en overheersen herinneringen, beladen met spijt en meer dan een zweem van zelfverwijt. Opvallend is in de verhalen dat Updike nog minder dan in zijn vroegere werk moeite doet een laagje van fictie over dit alles aan te brengen. En waar hij dit al doet, vraag je je dikwijls af: waarom?

Zijn hoofdpersonen heten Craig Martin of Benjamin Forster, Brad Quigley of Ed Trimble of Fritz Fleischer, Martin Fairchild of Henry Milford. Ze hebben saaie beroepen, met iets in financiën of onroerend goed, en zijn allemaal in de zeventig, naderen de tachtig. Waarom Updike voor al die namen en beroepen kiest, is niet echt duidelijk. In tegenstelling tot vroeger neemt hij hier nauwelijks de moeite geloofwaardige details in te vullen. Bovendien: vaak is er nauwelijks een verhaallijn, en de constanten laat hij ongemoeid. Ze zijn in bijna alle verhalen identiek: het huishouden waarin hij opgroeide als enig kind, naast zijn ouders en grootouders, de laatste jaren van zijn moeder, haar ambitieuze en soms wat opvliegende karakter, haar huwelijk met de wat goeiige vader die ook nog eens onderwijzer was op de school van de jonge Craig/Benjamin/Brad/Ed (vul verder zelf in), en de verhuizing in zijn jongensjaren van de stad naar de boerderij. Daarnaast zijn er natuurlijk de scheiding en het tweede huwelijk; de kinderen en de kleinkinderen, de ouder geworden minnaressen, de huidaandoening en het stotteren – allemaal elementen waarvan we het autobiografische gehalte kennen uit zijn twintig jaar geleden verschenen memoires onder de titel Self-Consciousness.

Even lijkt het alsof Updike een wat bestendiger alter ego heeft willen creëren in David Foster, die we in twee verhalen tegenkomen waarin de auteur hem naar zijn geboortestreek in Pennsylvania laat terugkeren voor een schoolreünie. Maar de keuze voor die naam lijkt hooguit toevallig, omdat David nauwelijks verschilt van de andere mannelijke hoofdpersonen.

De verhalen zijn gebundeld in de volgorde waarin ze zijn geschreven. Zijn allerlaatste prozaregels zouden dan de slotregels in ‘The Full Glass’ moeten zijn, waar de ik-figuur (geen omslachtig verschuilen hier) met een glas water zijn ‘life-prolonging pills’ wegspoelt en besluit: ‘Als ik de gedachten van deze rare oude vent goed lees, brengt hij een toast uit op de zichtbare wereld, waaruit zijn aanstaande verdwijnen vervloekt zij.’ Maar het is uitzonderlijk om, voorafgaand aan het verhaal met deze slotregels, het voorlaatste verhaal ‘Outage’ te lezen, misschien wel het beste verhaal van de bundel, een verhaal vol kansen en vol leven en vol van de seksuele mogelijkheden waarmee Updike’s vrouwen zijn mannen altijd zijn blijven verrassen.

De hoofdpersoon (Evan Morris geheten) laat zich tijdens een stroomstoring bijna verleiden met de aantrekkelijke buurvrouw Lynne het bed te delen, maar als ze beiden ontkleed zijn gaan plotseling de lichten weer aan. ‘Over de hele bovenverdieping vertoonden de patronen in het behang en het houtwerk weer plotseling hun helderheid. Beneden in de keuken stuwde de afwasmachine zich in zijn volgende fase. Bij de voordeur hernam het inbraakalarm zijn piepgeluiden op een wat schrillere toonhoogte.’

En Evan doet zijn overhemd weer aan en gaat er, Lynne’s protesten niettegenstaande, vandoor, zoals zoveel van Updike’s figuren de benen nemen wanneer het erop aankomt. Julian Barnes poneerde zelfs, in een bewonderende beschouwing, dat vluchten, ontsnappen een centraal thema in zijn oeuvre was en met de hier gebundelde verhalen in de hand valt daar veel voor te zeggen. ‘Fuck and run had been his style’ heet het, in een verhaal dat veelzeggend ‘Free’ heet en de vrouwelijke hoofdpersoon in dat verhaal, een minnares van lang geleden, kan dat alleen maar bevestigen: ‘You were always getting back.’

Updike schreef in de verhalenbundel The Afterlife mooier over de dood van zijn moeder dan hij hier doet. Hetzelfde geldt voor wat hij schreef over zijn vader, vooral in de roman The Centaur – zelf noemde hij dit zijn dierbaarste roman. En hoewel er in deze postume verhalenbundel enkele zwakkere verhalen staan (‘Varieties of Religious Experience’ bijvoorbeeld, veel te dicht op de 9/11 aanslag geschreven) is dit beslist geen restjes-bundel.

Zijn proza zingt nog steeds, de beeldentaal is nog even krachtig als altijd en dan is veel van wat in bovenstaande als bezwaar zou kunnen gelden al snel vergeven. Hoezeer je al lezende blijft denken dat al deze verhalen, van de dunne sluier van fictie ontdaan en anders gestructureerd, een mooi vervolg op bovengenoemde memoiresbundel zouden hebben gevormd.

In de poëzie (de titel Endpoint is een verwijzing naar een eerdere bundel Midpoint, die verscheen toen hij 37 was, een misrekening van nog geen twee jaar dus) gaat het, veel meer nog dan in de verhalen, over de naderende dood. Waar in de verhalen de eindigheid nog een vermoeden, een niet te bevatten aanwezigheid is, is het met name in de titelcyclus een onbarmhartige zekerheid, de laatste cesuur, een eindpunt inderdaad.

Die titelcyclus is opgebouwd rond zijn laatste verjaardagen, voorspelbare momenten van reflectie, en het terugblikken geschiedt met iets van spijt, berouw, zelfverwijt hier en daar over het (zijn) onvermogen lief te hebben. In een van de verhalen kan dat nog als een algemeen menselijk tekort worden geïnterpreteerd (‘Het is makkelijk om in je herinnering van mensen te houden; het moeilijke is van ze te houden als ze daar voor je staan’) maar in de poëzie oordeelt hij hardhandiger over zichzelf: ‘I drank up women’s tears and spat them out / as 10-point Janson, Roman and ital’.

In deze bundel geen schamel verschuilen achter fictie, wel de herinneringen aan wat, naarmate het eind in zicht komt, de essentie is: zijn moeder, die ook literaire ambities had, achter haar schrijfmachine; uitgevers en redacteuren; zijn nageslacht.

Maar ook het registreren van ouderdomsfalen, de verzuchting ‘What’s up? What’s left of me?’ Op de dag dat Obama gekozen wordt:

it seems that death has found

the portals it will enter by: my lungs

Gevolgd door kille en voorspelbare routine van het ziekenhuis; er klinkt nog enige ironie in door, om dan, bijna klinisch, een maand voor zijn dood, te besluiten

Days later, the results came casually through:

the gland, biopsied, showed metastasis.

Zo’n medisch bulletin, daar kan geen taalkunstenaar tegen op. Met deze twee bundels heeft John Updike zijn lezers een indrukwekkend afscheid gegeven, een roerende afsluiting van een groots oeuvre. Het echte besef dat hij er niet meer is zal volgend jaar komen, het jaar waarin er, voor het eerst sinds een halve eeuw, geen ‘nieuwe Updike’ zal verschijnen.