Echt, mijn moeders zijn normaal!

Bij de Gaypride is de ene boot nog extravaganter uitgedost dan de andere.

Maar intussen hebben veel homostellen een heel gewoon gezinsleven – met kinderen.

Echt, mijn moeders zijn normaal! Maite Vermeulen heeft nooit iets gemist in haar gezin met twee moeders Illustratie Hajo Hajo

De Gay Pride van 2007. Mijn broertje en ik zitten op de brug tegenover de Montelbaantoren in Amsterdam. Onder onze bungelende benen vaart boot na boot door de gracht. Veel schaars maar uitbundig geklede mannen, nog lang niet moe gedanst. Ik trommel op de brugleuning mee met de beat van de houseversie van Gloria Gaynors ‘I Will Survive’.

Dan springt mijn broertje overeind. „Daar komt ze!”, roept hij. „Waar? Waar?!”, gil ik terwijl ik mijn rechterbeen onder de brugleuning door probeer te wurmen om overeind te komen. „Daar!” Na wat speuren zie ik haar ook. De sambageluiden zijn nu duidelijk boven Gloria uit te horen. Zilver en blauw hebben ze aan, de vrouwen met de trommels. En helemaal voorin, op de punt van de boot, staat één van hen met een agogo-bel uitgelaten te dansen. Ik herken haar aan de heupbewegingen. Ze danst immers vaak genoeg in de huiskamer.

„MAM!” M’n broertje en ik springen zwaaiend op en neer. „Mam! Hierzo!” Mijn moeder ziet ons staan en zwaait stralend terug. Het stel dat al een uurtje naast ons op de brug zit, kijkt verbaasd. Wat? Is dat hun moeder? De man kan niet laten het voor de zekerheid te vragen.

Ja, mijn moeder is lesbisch. En dat niet alleen: mijn andere moeder is ook lesbisch. Ik heb er dus twee. En ook al waren de mensen op de brug verbaasd, ik ben er één van velen. Cijfers zijn er niet, maar zeker is dat het er intussen duizenden zijn.

En hebben die een normaal leven? Het is maar hoe je het bekijkt. Mijn vader ken ik bijvoorbeeld niet. Hij was een anonieme zaaddonor in het Universitair Medisch Centrum in Leiden. Daar kwam op 11 maart 1988 het spermarietje vandaan – code: oranje uit wit – waaruit ik ben geboren.

Als klein kind heb ik vaak genoeg staan krijsen, als anderen het weer eens niet begrepen. Stonden we op een camping in West-Friesland, kwam ik met vijf nieuwe vriendinnetjes aanstormen.

„Mama’s! Kom naar buiten!”

Mijn moeders staken hun hoofden uit de tent.

„Zien jullie wel! ’T KAN WEL!”

Hoe vaak ik wel niet heb verteld over „een hele lieve meneer” die „zijn zaadjes” aan mijn moeders wilde geven. Ik kreeg soms zo genoeg van dat keer op keer verdedigen, dat ik weleens kinderen ben aangevlogen. Maar ruzietjes op het schoolplein zijn gewoon. En ik had ook vriendinnetjes die er niet naar vroegen: de kinderen van lesbische vriendinnen van mijn moeders.

Naarmate ik ouder word, begrijpen de mensen in mijn omgeving mijn situatie beter: aan volwassenen kun je het uitleggen. Toch probeer ik het onderwerp in nieuwe situaties vaak te voorkomen. Ik heb het dan over „mijn ouders”. „De één” is lerares, „de ander” werkt bij de gemeente. Pas bij de vraag „wat doet jouw vader?”, of als ik iemand beter leer kennen, vertel ik over mijn moeders. Niet omdat ik me schaam, maar gewoon: omdat het makkelijker is. Want anders volgt onvermijdelijk weer dat gesprek dat ik inmiddels zo vaak heb gevoerd. Met de standaardvragen:

Heb je nooit een vader gemist?

Nee.

Wil je je vader niet leren kennen?

Nee.

Is één van je moeders niet meer een va-

derfiguur?

Nee!

En ook een klassieker: Voelt je niet-biologische moeder dan wel écht als je moeder?

Ja – zeker.

Ik lijk wel op mijn biologische moeder, maar mijn voorkeur voor kamperen? Of mijn fanatisme in sport? Dat heb ik toch echt van mijn niet-biologische moeder. Collega’s van haar merken nog weleens op: ‘Je kunt wel zien dat dat jouw dochter is!’ Staan we daar naast elkaar: ik blond, zij zwart, ik 1.82 meter, zij tot aan mijn schouder, ik met mijn langwerpige hoofd, zij ronder. Dan knikken we vriendelijk – en lachen er daarna om.

Niet zo lang geleden zei iemand goedbedoeld: wat grappig dat jij nog zo normaal bent geworden. Toen voelde ik weer even die woede van vroeger. ‘Mijn moeders zíjn normaal’, wilde ik schreeuwen. Ik heb eieren gezocht met Pasen, ik heb leren schaatsen, ik ben voorgelezen, ik ben toegejuicht na de schoolmusical, ik ben getroost toen ik van mijn paard viel. En wat heb ik niet gehad wat een vader me had kunnen bieden? Niks. Potje voetbal? Check. Band plakken? Check. Hutten bouwen? Check.

Maar ik knikte en lachte.

Niet dat er geen praktische problemen zijn. Ik kan er bijvoorbeeld de klok erop gelijk zetten dat er elk half jaar een brief op de mat valt van de IB-groep, over mijn studiefinanciering. Of ik de gegevens van mijn vader kan opsturen, zodat ze de hoogte van mijn aanvullende beurs kunnen bepalen. Die is namelijk afhankelijk van het inkomen van beide natuurlijke ouders.

Als eerstejaars belde ik ze nog braaf om te vertellen dat ik geen vader had. „Dan sturen we u even een formuliertje toe, mevrouw Vermeulen.” Twee dagen later had ik het formulier. Kruis de juiste optie aan:

Ik kan de gegevens van mijn vader niet toesturen omdat:

a. Mijn vader overleden is.

b. Mijn vader mij niet erkend

heeft.

c. Ik geen contact meer met mijn vader heb.

Optie d, ‘Ik geen vader, maar een donor heb’, bestaat niet. En er is ook geen ‘anders namelijk’. Maar weer bellen dus. „Juist, mevrouw Vermeulen… Nee, dat kent ons systeem niet…” Een uittreksel uit het geboorteregister opsturen dan maar. Een half jaar later – plof – weer dezelfde brief. „Ah, mevrouw Vermeulen. Ik denk dat dat automatisch door ons systeem wordt gedaan…”

En het blijft niet bij de IB-groep. Mijn niet-biologische moeder is namelijk officieel niets van mij. Door een wetswijziging mag ze me tegenwoordig adopteren, maar dat duurt lang en kost veel geld.

Toch overweeg ik het wel, sinds ik vorig jaar voor een half jaar naar Australië ging. Ik sloot een reisverzekering af voor dingen waar je eigenlijk niet over na wilt denken, zoals de kosten van een terugvlucht als er iets met één van mijn gezinsleden gebeurt. Maar stel dat mijn niet-biologische moeder dood was gegaan: dan had die verzekering níét mijn ticket vergoed om bij de begrafenis te zijn.

Gelukkig kunnen we om de meeste dingen lachen. Ik herinner me nog goed dat we ons voor de kerstviering op mijn broertjes basisschool als levende kerststal verkleedden. Dat deden immers alle gezinnen. Ik was Maria. Ik had een pop op schoot. Maar wie was Jozef? De fotograaf keek een beetje verward. Mijn broertje, die al klaar stond als ezel, offerde zich op. Op de foto lachen mijn moeders ons als stoere lesbo-herders toe.

Wat hebben we gelachen om die foto. Humor is bij ons thuis altijd het medicijn tegen stomme vragen of rare situaties geweest.

Maite Vermeulen (20) studeerde Liberal Arts and Sciences aan het University College in Utrecht. Ze loopt stage bij nrc.next.

Zie ook de opiniepagina’s 18 en 19