Dweilorkest

Vanmorgen liep ik met een dweil aan een steel door Oost-Londen. Ik kocht hem voor een vriendin. Ze had me erop uitgestuurd er een te halen. Ik vond een prachtig exemplaar op de hoek van London Fields en Broad Market. Dikke strengen textiel, als een grove pruik aan een houten steel. Hier kon je heel Londen mee dweilen, dacht ik terwijl ik trots op mijn aankoop de markt op ging om boodschappen te doen. Het ding zat me bij elke beweging in de weg. Maar de dweil gaf me een rol.

Ik werd begroet door andere mensen met een rol. Een man met een grote heggenschaar onder de arm tilde de pet van zijn hoofd en zei ‘Hello, love’. Een vrouw die sleepte met zakken wasgoed knikte me toe en een jongen met spuitbussen op zijn rug om insecten te doden wenste me een fijne dag. Niet eerder heb ik me zo thuis gevoeld in deze stad.

Ik nam me voor ook in Amsterdam met een dweil de straat op te gaan. Of met een trap. Een kleine zilverkleurige keukentrap, om een warenhuis mee te bezoeken op zaterdagmiddag. Veel mensen zullen tegen me aanbotsen, maar ze zullen begrijpen dat ik ergens mee bezig ben, dat ik een belangrijke taak te vervullen heb.

Ik zag een man met een krant onder de arm. Een meisje met lange blote benen en een vrouw met een kind aan een tuigje. Ik begreep dat deze zaken noodzakelijk zijn voor mensen om zichzelf een houding te geven. De krant, de benen en het kind maken personages van passanten.

Behalve de dweil had ik nog een ander attribuut bij me: Astonishing Splashes of Colour (2003) van Clare Morall. In dit boek gaat Kitty ’s ochtends en ’s middags bij het schoolhek staan. Zolang de moeders die hun kinderen wegbrengen of opwachten geloven dat zij een van hen is, hoeft ze er niet aan te denken dat haar kind is overleden. Ze ziet de kleur geel opspatten van de moeders en hun kinderen. Geel geluk en geel optimisme, als de stralen van een geverfde zon.

Kunstenaar Francis Alÿs koos een andere manier om zijn omgeving te lijf te gaan. Hij filmde als onderdeel van zijn project Seven Walks (2005) hoe hij met een drumstokje langs hoge spijlenhekken van een Londens park loopt en muziek maakt, als het tikken op een xylofoon. De wandelaar, die anders ongemerkt voorbij zou gaan, zet zichzelf op de kaart. Hij toont muzieknotatie in de vorm van spijlen van een hek, en laat zien hoe deze te spelen is. Elke wandelaar kan zijn eigen interpretatie geven.

Met de hekkenmuziek van Alÿs in mijn hoofd zie ik dat alle vormen in de stad muziek kunnen voorstellen en veroorzaken. Ik zou met mijn zilveren keukentrap langs de gevels kunnen schrapen. Elk raamkozijn, elke holling en bolling zou opklinken. Als ik met mijn handtas tegen alle auto’s zou slaan die me op een dag passeren zou ik een dwingend ritme veroorzaken, als van een stevige drummer.

Ik probeer de klank van mijn dweil en hoor een zacht geruis langs de rok van de vrouw bij wie ik een brood bestel. Ik dweil de bomen in het park en streel het gras in het park. Het ruist en het ritselt als een snare drum. Huizen hellen voorover wanneer ik langskom. Bomen en lantaarnpalen strekken zich naar me uit.

De stad is muziek die moet worden gespeeld.

    • Maria Barnas