Bye bye, culture française

Wat stelt de kunst in Frankrijk eigenlijk nog voor? Het land is cultureel in crisis, zeggen de Fransen zelf. Maar was de cultuur ooit niet ‘en crise’?

Glas-in-lood raam met feeën in het kasteel van Doornroosje in Disneyland, Parijs Foto Mezalick Design Studio Bye bye, haute culture française Amerikaan Donald Morrison ontketent debat over de tanende invloed van de Franse cultuur Mezalick Design Studio

Donald Morrison, Antoine Compagnon: Que reste-t-il de la culture française? en Le Souci de la grandeur . Denoël. 205 blz. €13,-

Vorige maand sprak Kathleen Evin, journalist bij France Inter, live in een publiek interview met de Amerikaanse schrijver Rick Moody, haar bewondering uit voor de Amerikaanse literatuur. Hoe dacht Moody, prominent vertegenwoordiger van die levendige overzeese letterkunde, dat de Franse literatuur er weer bovenop zou kunnen komen? Moody keek haar bevreemd aan: waar had ze het over, er was toch helemaal niets mis met de Franse literatuur? Na afloop verklaarde hij zijn buik vol te hebben van het negatieve zelfbeeld van de Fransen: waar kwam dat idiote minderwaardigheidsgevoel in ’s hemelsnaam vandaan?

Zelfonderzoek, spijtbetuiging, schuldgevoel, het is een trend in het Frankrijk van de laatste jaren. Kritisch kijkt men in de spiegel en wat men er ziet, bevalt niet. Voortdurend wordt de vraag gesteld wat de Franse cultuur nog voorstelt en wat de Franse literatuur nog te bieden heeft. Je hoeft maar wat titels van de laatste jaren te bekijken om te zien hoe de wind waait: L’adieu à la littérature (William Marx, 2005), La littérature en péril (Tzvetan Todorov, 2007), Crises dans la culture française (Antoine de Baecque, 2008), Le grand dégoût culturel (Alain Brossat, 2008). Geen titels die getuigen van groot zelfvertrouwen.

Een van de hardste alarmklokken werd ongeveer twee jaar geleden geluid door de Amerikaanse journalist Donald Morrison. De cover van Time Magazine toonde op 3 december 2007 een foto van de beroemde Franse mimespeler Marcel Marceau die, wit geschminkt, alpino-pet op het hoofd, met meelijwekkende blik neerkijkt op een rode gerbera. The death of French Culture luidde de vet gezette kop, met daaronder de hamvraag: ‘Quick, name a living writer or artist from France with global significance. Right.’

Dat de Fransen zelf kritisch naar hun cultuur kijken, is tot daar aan toe. Maar op deze ongezouten stelling van een burger van Amerika reageerde heel cultureel Frankrijk als door een wesp gestoken.

Geen land, zo beweerde Morrison, dat zijn cultuur meer au sérieux neemt dan Frankrijk. Jammer alleen dat de rest van de wereld dat niet (meer) doet. Hoeveel Franse romans worden er nu nog vertaald en hoeveel vinden een lezerspubliek buiten de Franse grenzen? Sinds Godard en Truffaut telt de Franse film, sympathiek maar onbetekenend, internationaal niet meer mee. Ziet er iemand ooit een toneelstuk dat oorspronkelijk Frans is? Het zwaartepunt van de kunstmarkt heeft zich van Parijs verplaatst naar New York en Berlijn. Franse kunstenaars zijn minder in trek dan hun Amerikaanse, Britse of Duitse collega’s en hun werk brengt minder op. En dat terwijl Frankrijk een groter deel van het bruto nationaal product aan cultuur besteedt, de staat de kunsten fors subsidieert – met de ‘exception culturelle’ in het vaandel – en zich traditioneel belast acht met een ‘beschavingsmissie’.

Morrison werd in alle Franse media aangevallen, gecorrigeerd, geridiculiseerd. Culturesfrance, de gouvernementele cultuurmotor, publiceerde een lijst van tweehonderd internationaal meetellende Franse kunstenaars, de minister van Cultuur reageerde en er werden sindsdien tientallen symposia en speciale tijdschriftnummers gewijd aan de stelling dat het afgelopen zou zijn met de Franse cultuur. Onlangs publiceerde Morrison, nu het eerste stof is neergedaald, een boek over de kwestie, aangevuld met een antwoord van Antoine Compagnon, hoogleraar moderne literatuur aan het Collège de France en aan de Universiteit van Columbia in New York.

Morrisons betoog is ongewijzigd, hoogstens beter onderbouwd en wat genuanceerder geformuleerd. Zij die vielen over het feit dat hij aanvankelijk feiten en cijfers noemde – cultuur kun je niet vatten in de dorre gegevens van de commercie! – antwoordt hij nu dat het weliswaar lastig is om de invloed van de culturele productie van een land te meten, maar niet onmogelijk.

Feit is bijvoorbeeld dat van de zes- à zevenhonderd Franse romans die jaarlijks verschijnen ongeveer twaalf ook in het Engels uitkomen: klassiekers. Levende Franse auteurs worden nauwelijks vertaald – iets wat grote Amerikaanse schrijvers als Rick Moody ook ernstig betreuren. Hoe kan er dan literaire kruisbestuiving bestaan?

Omgekeerd is ongeveer éénderde van de in het Frans vertaalde boeken oorspronkelijk in het Engels geschreven. De Fransen verslinden John Le Carré, Paul Auster, Ian McEwan en William Boyd. Jonathan Littell verklaarde het succes van Les bienveillantes (De welwillenden) door de behoefte bij de Fransen aan ‘grote, goed geconstrueerde romans die een verhaal vertellen’, iets waar volgens velen eigentijdse Franse romanschrijvers niet toe in staat zijn.

Op het gebied van de film is de situatie al niet veel beter, meent Morrison. Het Franse subsidiesysteem bevordert de productie van kleine comédies de moeurs van weinig gewicht. De remakes ervan, geproduceerd in de VS, bereiken het grote publiek. Over de hele linie speelt het verschil in waardering tussen hoge en lage cultuur. Terwijl in Europa commercieel succes verdacht is, is in Amerikaanse ogen succes bij het grote publiek een teken van kwaliteit.

Wat zijn volgens Morrison de redenen voor die algehele neergang van de Franse cultuur en het gebrek aan erkenning in de rest van de wereld? Allereerst heeft de Franse taal haar bevoorrechte positie moeten afstaan aan het Engels. Verder bevordert het Franse onderwijs de ontwikkeling van het individu ten nadele van de verwerving van kennis. Wetenschap en economie hebben het pleit gewonnen van de meer literaire, taalgevoelige vakken. Bovendien spreken Fransen abominabel slecht Engels en hoe kun je je dan fatsoenlijk presenteren, tegenwoordig?

Educatie en cultuur zijn in Frankrijk gescheiden werelden, getuige de aparte ministeries. Beide werelden zouden erop vooruitgaan als er kruisbestuiving zou ontstaan, meent Morrison. Het grootste obstakel voor ‘het Franse ontwaken’ is volgens hem de staat zelf. Wat heeft het arsenaal van subsidies, quota’s en beperkingen voor resultaat opgeleverd? Kleine uitgevers, muzieklabels en filmproducenten konden overleven, maar heeft dat alles geleid tot een bloeiende, ambitieuze culturele productie? Is de situatie zoveel slechter in de VS, waar staatssubsidie voor de kunsten zo goed als niet bestaat, maar waar bijna alles draait op individuele en commerciële schenkingen?

Dit is voor Morrison een retorische vraag. Toch ziet hij een mogelijkheid voor Frankrijk om uit het dal tekruipen: die is gelegen in de multiculturele kracht van het land. ‘Frankrijk is een grote multi-etnische bazaar van kunst, muziek en literatuur afkomstig uit de banlieues.’ Maar de ‘mandarijnen van de cultuur begunstigen een homogenere uitdrukking van cultuur en verwerpen de invloed van de immigratie’, schrijft hij.

Antoine Compagnon, die niet alleen thuis is in Frankrijk maar zich net zo goed burger van Amerika voelt, heeft weinig weerwoord op de analyse van Morrison. Is er een moment geweest dat de Franse cultuur niet ‘en crise’ was?, schrijft hij. En zijn niet alle culturen ‘en crise’, ook de Amerikaanse? Zijn de Fransen niet gewoon overgevoelig voor het oordeel van anderen?

‘Wij cultiveren al eeuwenlang een traditie van ondergangsprofetieën en beweners van de cultuur.’ What’s new? luidt het antwoord van Compagnon welbeschouwd, we zijn hoogstens een beetje overgevoelig wanneer een Amerikaan ons komt vertellen dat onze cultuur zich in een isolement bevindt. De Franse staat is volgens Compagnon hopeloos de weg kwijt als het gaat om het voeren van een consistente cultuurpolitiek in het buitenland. ‘Frankrijk weet niet meer hoe zij haar taal en cultuur moet bevorderen, men tast in het duister, men is zoekend.’ Parijs zal nooit met New York kunnen concurreren. Evenmin ziet hij veel in de oproep van Morrison de multicultureel Frankrijk te benutten. Een fusie tussen de ministeries van Educatie en Cultuur? Leesbevordering? Concurrentie tussen universiteiten? Dat zou wel helpen, meent Compagnon, maar is er niet altijd sprake van cycli in de economie? Waarom dan niet in de cultuur? Zou dit niet gewoon een dieptepunt zijn aan de vooravond van een opgaande lijn?

Hiermee doet Compagnon alsof Frankrijk op cultureel gebied nooit een belangrijkere rol heeft gespeeld dan welk ander Europees land ook, en nooit de ambitie heeft gehad om dat te doen. De irritatie die Frankrijk in de VS oproept zal haar redden, meent hij. Ooit een cover van Time gezien die het einde van de Belgische of de Servische cultuur afkondigt? Nou dan.

Maar dit relativerende standpunt van Compagnon is niet werkelijk een antwoord op de analyse van Morrison. In onze tijd van massaal cultuuraanbod, nivellering en ontwaarding van de literatuur heeft het land dat de modernistisch-humanistische waarden bij uitstek verwoordde en dat een indrukwekkend aantal klassieken voortbracht, uiteraard het meeste te lijden. Het huidige Frankrijk heeft een president die als presidentskandidaat, vrij sprekend voor een publiek van getrouwen, een concours ridiculiseerde waarbij ‘een imbeciel’ het waagde een vraag te stellen over La princesse de Clèves, een van de grote Franse klassieke romans uit de 17de eeuw. Sindsdien is het boek een bestseller en zijn er badges te koop met J’aime La princesse de Clèves, bij wijze van protest tegen Sarkozy’s cultuurpolitiek (zie inzet). Ook in Frankrijk verovert het commerciële vocabulaire van ‘populariteit’ en laagdrempeligheid, zo tegengesteld aan de grondbeginselen van de hoge cultuur, meer terrein. Het zou ook vreemd zijn als dat niet zo was.

De vraag is daarnaast of de Franse cultuur inderdaad zo op zichzelf gericht is als Morrison beweert. In de literatuur is het multicultureel talent dat hij ziet als oplossing voor revitalisering van diezelfde literatuur, bijvoorbeeld al lang een feit. Het Frans als gemeenschappelijke taal heeft schrijvers uit Afrika, Québec, Zwitserland of Mauritius ertoe gebracht hun verhouding tot de wereld te verwoorden. Daar is niets navelstaarderigs aan.

En wat te denken van het oeuvre van Nobelprijswinnaar (2008) J.M.G. Le Clézio, van het werk van Amin Maalouf of van een jongere generatie als Olivier Adam of Stéphane Audeguy, waarvan niemand kan beweren dat die provincialistisch, parisianistisch of afgekeerd van de wereld is?

Er is daarbij geen land waar de cultuur binnen de grenzen zo vitaal en veelzijdig is en waar culturele evenementen zo goed worden bezocht als in Frankrijk – ook in de steden en dorpen ver buiten Parijs.

De Franse cultuur met haar lange, toonaangevende traditie van ‘hoge cultuur’ is, in het tijdperk van de huidige massacultuur, op zoek naar een nieuwe plek op de culturele wereldkaart. Zij staat daarin niet alleen. Zij mag dan haar internationale culturele leiderschap hebben verloren, haar definitief afschrijven lijkt me nogal voorbarig. Het debat is nog lang niet ten einde.

    • Margot Dijkgraaf