Schilderijen meteen vette knipoog

Voor het eerst in tien jaaris er in Nederland weer een tentoonstelling van Michael Raedecker.

De borduurschilderijen zijn minimalistischer geworden.

‘Therapy’, acrylverf en garen op doek, 63 x 75 cm (2005). Foto Andrea Rosen Gallery, New York Andrea Rosen Galery

Je moet het maar durven. Om als gevierd kunstenaar, internationaal bekend geworden met doorwerkte schilderijen van modernistische villa’s en dreigende landschappen, opeens zoiets banaals te schilderen als een badhanddoek. Een vaalroze, oude, veel te vaak gewassen handdoek bovendien.

Op de solotentoonstelling van Michael Raedecker in het Haagse GEM, zijn eerste Nederlandse expositie in tien jaar, hangen vier van die rafelige badlakens. Het is alsof ze aan een denkbeeldige waslijn hangen, rechtop, levensgroot. Onderwerp en ondergrond zijn één geworden – een doek geschilderd op doek. Alleen aan de onderzijde suggereert een subtiel geschilderde rimpeling nog iets van diepte. Ook de stofuitdrukking is verraderlijk echt: de lusjes zijn namelijk allemaal handmatig op het linnen geborduurd. Het zijn de kleuren van het garen die de handdoeken hun verwassen uiterlijk geven.

„Het is wat het is”, zegt Michael Raedecker (Amsterdam, 1963) nuchter over zijn nieuwe badlakenserie. „Een heel rechtstreekse weergave van een alledaags ding. Het is alsof het schilderij ophoudt aan de oppervlakte, daar blijft steken.” Tegelijkertijd roepen de badlakens, in al hun eenvoud, een heel scala aan kunsthistorische associaties op. Ze herinneren aan de verticale strepen van Barnett Newman en aan de vlaggen van Jasper Johns, maar bijvoorbeeld ook aan de geschilderde theedoeken van Daan van Golden. „Het zijn schilderijen met een vette knipoog”, lacht Raedecker. „Het onderwerp is natuurlijk nogal luchtig, maar ik refereer ook aan die serieuze abstracte kunst.”

Wie het werk van Raedecker in 1999 voor het laatst heeft gezien op zijn tentoonstelling Extract in het Van Abbemuseum zal even moeten wennen aan de nieuwe wending die zijn oeuvre heeft genomen. De broeierige voorstellingen uit de beginjaren hebben plaatsgemaakt voor alledaagse onderwerpen. Raedecker schildert allang geen lege, David Lynch-achtige hotelkamers of mysterieuze boshutjes meer. Tegenwoordig zijn het tafellakens en bloemstillevens die hem bezighouden.

De tentoonstelling in het GEM omvat zo’n 25 werken uit de afgelopen vijf jaar. Raedeckers palet is een stuk soberder geworden, met vooral veel verschillende gradaties betongrijs. Het schilderij Substance toont een witte bruidstaart die haast lijkt op te lossen in een muisgrijze achtergrond. Op een ander doek, Tipping point, wappert een hele lading wasgoed aan de lijn – niet fris gewassen maar kleurloos, transparant.

„Ik vind het heel moeilijk om uitgesproken kleuren te gebruiken”, vertelt Raedecker, een magere, lange man die onopvallend gekleed gaat in spijkerbroek en grijze sweater. „Voor mij is grijs de begintoon, waarmee ik alle andere kleuren aanleng. Maar de garens waarmee ik borduur, kunnen wel felle kleuren hebben. Dat is heel merkwaardig: de kleuren van die draden vallen weg zodra je drie stappen achteruit doet. Op die manier speel ik ook met afstand. Het is grappig om te zien dat toeschouwers van mijn werk automatisch naar het doek toe worden getrokken, om te kijken hoe het gemaakt is.”

De combinatie van schilder- en borduurkunst is al vijftien jaar het handelsmerk van Raedecker. Hij begon er ooit mee vanuit een soort onderdanigheid. „Als beginnend kunstenaar had ik heel sterk het gevoel dat er al zoveel werk gemaakt was, door zoveel goeie kunstenaars. Wie was ik om daar nog aan bij te willen dragen? Ik zocht dus naar een vorm van toestemming om werk te mogen maken. Daarom begon ik met borduren. De moeite die dat kostte, al het handwerk dat ik moest verzetten, verleende me de toestemming om een nieuw werk op de wereld te zetten.”

Door dat arbeidsintensieve proces ligt zijn productie op slechts tien doeken per jaar. Verzamelaars staan voor die schilderijen in de rij en zijn bereid er vele tienduizenden euro’s voor neer te leggen. Heeft hij nooit overwogen om, à la Damien Hirst, een paar assistenten in te huren? „Overwogen wel”, antwoordt Raedecker. „Maar dat bleek niet te werken. Er zijn toch te veel beslissingen die je al doende, op intuïtieve wijze neemt. Uiteindelijk zit je dan de hele tijd over iemands schouder mee te kijken. Nee, het bevalt mij uitstekend om dit werk alleen te doen. Een Damien Hirst zal ik nooit worden.”

Het heeft ook wel wat, vindt Raedecker, dat zijn productie zo klein is. „In een tijd waarin er van alles zo veel is – zo veel boeken en films die uitkomen, zo veel kunstwerken die verkocht worden – vind ik het mooi om te kunnen benadrukken dat er hier maar één van is.”

Raedecker ging modevormgeving studeren aan de Rietveld Academie en was daarna korte tijd assistent bij modeontwerper Martin Margiela in Parijs. Tot hij in 1993 besloot zich bij de Rijksakademie aan te melden. In de openbare bibliotheek in Amsterdam was hij gestuit op het boek Painting as a Pastime (1948) van Sir Winston Churchill, die een verwoed amateurschilder van impressionistische landschapjes bleek te zijn. Diens schilderijtjes kopieerde hij met schrootjeslak, waarna hij de titels over de voorstellingen heen borduurde. „Door de high art van het schilderen te combineren met de low art van het borduren, probeerde ik het verhevene van de schilderkunst te relativeren”, zegt Raedecker. Het werkte, want met die aan Churchill ontleende doekjes werd hij aangenomen op de Rijksakademie.

Sindsdien is Raedeckers carrière in een stroomversnelling geraakt. Hij won de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst, werd genomineerd voor de Prix de Rome en later de Turner Prize, verhuisde naar Londen om verder te studeren aan het hippe Goldsmiths College en verkocht prompt al zijn eindexamenwerk aan verzamelaar Charles Saatchi.

Nu Raedeckers werk voor het eerst in tien jaar weer in Nederland te zien is, wordt hij als een verloren zoon onthaald. Zijn agenda is gevuld met interviews en de eerste recensies verschijnen al in kranten en tijdschriften voordat de tentoonstelling zelfs maar geopend is. Uit die recensies blijkt dat niet iedereen te spreken is over de ommezwaai in zijn werk. Zo meent Vrij Nederland dat Raedeckers recente werk te veel lijdt onder het gewicht van de kunstgeschiedenis. „Te pretentieus”, schrijft Willem Baars. „Weg is de relativering, weg is die fraaie geheimzinnigheid.”

Raedecker reageert als gestoken: „Natuurlijk ben ik me ervan bewust dat mijn werk veranderd is. Ik probeer mijzelf steeds te vernieuwen. Vroeger schilderde ik scènes die verhalender waren. En al waren er geen hoofdrolspelers, je kon je wel voorstellen dat ze in die lege ruimtes geweest waren en gedronken hadden uit de glazen die op tafel stonden. De laatste paar jaar probeer ik die spanning uit te drukken in zoiets knulligs als een badhanddoek of was aan de lijn. Dat vergt meer van de kijker.”

Wie door de twee grote zalen van het GEM loopt, langs de truttige vaasjes en de gehaakte tafelkleden, voelt inderdaad nog altijd een onderhuidse spanning.

Raedecker heeft bovendien zijn techniek van het borduren de laatste jaren nog verder verfijnd. Op het doek therapy, een stilleven van een gedekte tafel, weet hij met een paar rake steken wit garen de reflectie in een glas water te vangen – een prachtig geborduurd hooglicht. En in Opposite, een bijna leeg schilderij van een bungalow, trekt hij met wollen draden schetsmatige lijnen die eruitzien alsof ze razendsnel met houtskool getekend zijn. Terwijl die er in werkelijkheid natuurlijk met engelengeduld op geborduurd zijn.

„Ik vind dat wel een mooie tegenstelling”, zegt Raedecker. „Het snelle karakter van de schets tegenover de langzame handeling van het borduren, honderd keer trager dan het oorspronkelijke gebaar.”

Michael Raedecker: line-up. T/m 1 nov in GEM, Den Haag.