Misschien moet ik het niet doen, dit verhaal

Hoe word je gelukkig in drie weken? Vandaag deel 4: stop met piekeren.

Freek Schravesande stelt voor: een verhaal over piekeren bij het schrijfproces.

Misschien moet ik het niet doen, dit verhalen. Illustratie Nanne Meulendijks Meulendijks, Nanne

Maandag 6 juli, 15.00 uur, 23 dagen voor de deadline. Locatie: redactie nrc.next.

Zeven redacteuren zitten in een kring. De vraag: waar moet deze serie over geluk over gaan? De onderwerpen liggen vast, de invulling staat vrij. Die moeten we nu, tijdens deze brainstorm, bedenken.

Onderwerp 1: Los je problemen op.

Onderwerp 2: Doe iets!

Onderwerp 3: Houd hoop.

Onderwerp 4: Niet piekeren.

„Goed, niet piekeren. Waar moet dit stuk over gaan?”

„Misschien over piekeren over dit stuk?”, zeg ik.

„Een Droste-effect! Ja leuk! Maar dat is wel een cliché. Dus dan moet het wel héél goed zijn.”

Donderdag 16 juli, 16.00 uur, 13 dagen voor de deadline. Locatie: redactie nrc.next.

Ik kijk in mijn agenda. Donderdag 16 juli. ‘Uitzetten artikel piekeren’. Ik weet het weer: een Droste-effect. ‘Dus dan moet het wel héél goed zijn.’ De woorden dreunen na in mijn hoofd.

Ze hebben gelijk. Een Droste-effect, dat is zó uitgekauwd. Dat kun je in je carrière misschien één keer doen. En dan nog: beter dan het effect op het blik van de Droste-cacao wordt het niet. Ook niet even goed.

Ik twijfel. Misschien moet ik het niet doen. De Droste-effect-poging uitstellen. Bewaren voor een andere keer.

Maar wat dan?

Naar de koffieautomaat.

Al lopend weet ik het: mijn onlangs verbroken relatie! Dat leverde een hoop gepieker op. Schrijven over je eigen sores. Lekker makkelijk ook. Want dichtbij. Scheelt weer gepieker over ingewikkelde invalshoeken.

Ik leg het voorstel per e-mail voor aan de coördinator van de geluksserie. Die staat niet veel later aan mijn bureau. „Is dat niet wat te persoonlijk? Daar krijg je misschien later spijt van. Waarom doe je niet gewoon dat ene idee, dat met dat Droste-effect?”

‘Later spijt van.’ Tja, dat weet je nooit inderdaad. Te persoonlijk? Misschien heeft ze wel een punt.

Maar, als ik het nou anonimiseer? ‘Door een onzer redacteuren’, ‘hij’, ‘zij’ als onderwerp?

Ik twijfel. Gelukkig heb ik nog alle tijd, de deadline is over dertien dagen.

Ik besluit de beslissing uit te stellen. Tot een helder moment. Kan ik in de tussentijd over iets anders denken.

Vijf minuten later. De coördinator heeft gelijk, denk ik. Ik moet het niet doen, schrijven over mijn verbroken relatie. Daar heeft de lezer niets aan.

Diezelfde dag, 18.10 uur. Locatie: in de trein tussen Rotterdam en Utrecht.

Ik besluit de argumenten voor en tegen ‘relatie’ en ‘Droste’ op een rij te zetten. Het argument ‘lekker makkelijk, schrijven over je relatie’, mag bij het schrijven van een artikel niet doorslaggevend zijn, vind ik. Dus dat gemaksargument valt af.

Blijft over: vertrouwen op het gevoel of op het verstand. Mijn gevoel zegt, misschien: ‘gepieker over je relatie, schrijf het van je af!’ Mijn verstand gaat mee met de overwegingen van de coördinator.

Wat moet ik nu volgen? Mijn gevoel of mijn verstand? Lastig. Want hoe weet je nu wat je gevoel zegt, en wat je verstand? Wat is je gevoel eigenlijk? En hoe herken je dat?

Misschien toch maar gewoon een deskundige bellen. Dat Droste-effect niet doen, want dan ‘moet het wel héél goed zijn’, en iets schrijven over hoe je ervoor zorgt dat je alleen piekert tussen vijf en zes uur ’s avonds – tip van de auteur van het stukje rechtsonder dit artikel.

Ik besluit, rationeel, mijn gevoel te volgen, dus nú te beslissen. En ik beslis mijn verstand te volgen: niet over mijn relatie schrijven, maar het Droste-effect te proberen. Óf, maar voor dat besluit heb ik nog alle tijd, een deskundige te vragen hoe je ervoor zorgt dat je alleen piekert tussen vijf en zes uur ’s avonds.

Zo. Besloten. Kan ik weer over andere dingen denken.

Vijf minuten later. Hoe zal ik dit artikel dan laten eindigen? Misschien zoiets:

‘Dinsdag 29 juli, 12.00 uur, 1 dag voor de deadline. Locatie: thuis achter de computer.

‘Ik twijfel nog steeds. Misschien toch een deskundige vragen hoe je ervoor zorgt dat je alleen piekert tussen vijf en zes uur ’s avonds.

‘Maar een interviewafspraak maken heeft op deze korte termijn geen zin meer. Het wordt het Droste-effect. Simpelweg omdat dit nu, één dag voor de deadline, nog de enige optie is.

Uitgepiekerd. Want de keuze is weg.’

‘Uitgepiekerd. Want de keuze is weg.’ Dat is een mooi einde. Kan ik net doen alsof ik tóch op het laatste moment heb besloten. En laten zien dat een verrassend argument, de factor ‘tijd’, bepalend is geweest. Dat verwacht de lezer niet. Bovendien is het symptomatisch voor piekeren dat zoiets onbenulligs als ‘tijd’ (of iets anders praktisch) vaak de doorslag geeft.

De vraag is nu: zal ik dit artikel nu, 13 dagen voor de deadline, vast uittypen en inleveren, of wachten tot de werkelijke deadline? Als ik wacht ga ik er misschien tussentijds nog over piekeren. Dus waarom ook niet. Ik lever het gewoon nu in. Ben ík ervan af. Kan ík weer over andere dingen nadenken.

Dinsdag 29 juli, 6.30 uur, 1 dag voor de deadline. Locatie: bed.

Ik schrik wakker. Natuurlijk heb ik het stuk nog niet bij de coördinator ingeleverd. Luiheid, uitstellen, niet durven. Voordeel is: ik heb nu een geniale ingeving. Nadeel: geen pen en kladblok in de buurt. Ik besluit de ingeving als herinnering in mijn telefoon te zetten. En dan weer verder slapen.

Dinsdag 29 juli, 12.00 uur, 1 dag voor de deadline. Locatie: achter de computer.

‘Piek, klo, telt dat?’, staat als herinnering in mijn telefoon. Geen idee wat dit betekent. Ga ik ook niet meer over nadenken. Ik zit toch al over het maximum van 1.000 woorden. Niet meer twijfelen nu: opsturen dit document. Voordat het fout gaat.

    • Freek Schravesande