Liberalisering landbouw niet eng

De liberalisering van de landbouw komt op dit moment hard aan. Maar zijn er alternatieven, vraagt Klaas Johan Osinga van LTO Nederland zich af.

Liberalisering Landbouw niet eng. Illustratie Arcadio Arcadio

Moet het landbouwbeleid verder geliberaliseerd worden of juist niet? De stijging van de voedselprijzen in 2007 gevolgd door abrupte prijsdalingen in markten zoals voor melk en groenten, verscherpen het debat. Liberalisering betekent grotere prijsschommelingen. Kunnen onze boeren en tuinders dan de internationale concurrentie aan? Een tweede optie is: blijvende inkomenssteun als vergoeding voor instandhouding van het agrarisch landschap. Sommigen willen ‘een derde weg’: sta boeren en ketens toe zelf verkoopprijzen vast te stellen in een van wereldmarkt afgesloten Europese markt.

De meerderheid van de Nederlandse politiek heeft al gekozen. Tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen spraken de meeste partijen zich uit voor afbouw van het Europese landbouwbeleid. Vlak voor het reces stemde de Tweede Kamer vóór een motie die het kabinet vraagt „bij de onderhandelingen over de langetermijnperspectieven van na 2013 in te zetten op een drastische reductie van het Europees landbouwbudget en de op historische productie opgebouwde landbouwsubsidies af te schaffen”.

Internationaal is het van hetzelfde laken een pak: de G8 wil de Doharonde van het wereldhandelsoverleg (WTO) in 2010 afronden. Het EU-bod is al opgenomen in de conceptdeal: volledige afbouw van exportsteun en minder bescherming tegen import.

De EU biedt al volledig vrije markttoegang aan boeren in de meeste ontwikkelingslanden. Dat is een goede zaak. De wereldbevolking neemt de komende veertig jaar toe tot 9 miljard en wordt welvarender. In de groeiende vraag naar voedsel kan alleen worden voorzien als boeren worden geprikkeld door die vraag en dus door markttoegang. Maar die vrijheid moet hen ook mogelijkheden bieden zich te wapenen tegen grote prijsschommelingen. En daar gaat het mis. Bij hoge prijzen verliezen veel landen de lange termijn uit het oog en verbieden de export, waardoor prijsfluctuaties alleen maar extremer worden. En bij lage wereldmarktprijzen hebben boeren niets in te brengen tegen de multinationals die de voedselmarkten beheersen.

LTO heeft nooit gevraagd om liberalisering maar wel altijd gesteld dat, als de bescherming van het EU-beleid wegvalt, de belemmeringen ook moeten worden weggenomen: vooral de dure melkquota die in Nederland de productie beperken en daardoor de kostprijs verhogen, maar wereldwijd geen rol meer spelen. Bovendien produceren boeren méér dan alleen voedsel, maar ook groen, rust en ruimte. De maatschappij waardeert deze ‘publieke diensten’. Maar wil zij die in de toekomst nog waarderen met de vergoeding die boeren nu krijgen? Dat kan alleen als de EU daarvoor voldoende middelen begroot in de nieuwe meerjarenbegroting (2014-2020). Wat de Tweede Kamer betreft, gebeurt dat dus niet.

Boeren worden zo steeds afhankelijker van grote voedingsconcerns en supermarkten. Zij stellen leveringsvoorwaarden en bepalen de prijs. De melkprijs die de boer krijgt, is de laatste 18 maanden gehalveerd en ligt 30 procent beneden het niveau van begin 2007, vóór de historische prijspiek van eind 2007. Maar in de supermarkten zijn de prijzen van jonge kaas en halfvolle melk nog steeds 15-25 procent hoger dan toen. Het verschil tussen wat de boer krijgt en wat de consumenten betalen is fors toegenomen. Hieruit blijkt de ongelijkwaardige onderhandelingspositie tussen boer en supermarkt. Boeren en tuinders moeten de ruimte krijgen om sterke coöperaties op te bouwen die gelijkwaardig met de Europese retail onderhandelen over prijs en kwaliteit. Het is eigenaardig dat de Europese Commissie de recente fusie tussen twee Nederlandse coöperaties van melkveehouders (Friesland Foods en Campina) beoordeelde op het mogelijke effect op de Nederlandse consumentenmarkt. Mededingingsautoriteiten willen dus niet erkennen dat er al veertig jaar één Europese markt is voor land- en tuinbouwproducten. In Nederland worden Duitse, Deense en Franse zuivelproducten verkocht. Waarom de nieuwe boerencoöperatie FrieslandCampina van de EU nu twee gezonde bedrijven moet verkopen aan de concurrentie is een raadsel.

De Europese Commissie sprak op 22 juli in een zuivelmarktanalyse zelf duidelijke taal: de EU-zuivelketen functioneert niet efficiënt, want consumenten profiteren niet van de fors gedaalde melkprijzen en dit vertraagt het marktherstel. In november volgt een nadere EU-analyse van de mededinging in de melk- en varkensvleesmarkt. De NMa komt in september met resultaten van onderzoek. Rapporten genoeg, maar durft Europa er consequenties aan te verbinden? Zoals: beter toezicht op functioneren voedselmarkten, supermarkten onder het vergrootglas en versterking van onderhandelingspositie van de boeren..

Toch maar optie 2 dan, vaste toeslagen per bedrijf? Daar valt veel voor te zeggen. Het huidige EU-landbouwbeleid kost iedere Europeaan ongeveer 2 euro per week, en daarvoor krijgt hij een breed sortiment veilig, hoogwaardig voedsel tegen een redelijke prijs. Nederland heeft altijd goed van de Europese samenwerking geprofiteerd: we zijn op één na ’s werelds grootste exporteur van land- en tuinbouwproducten.

Als we nu – heel even maar – aannemen dat de politiek kiest voor ‘de derde weg’: stoppen met in- en export, terugtrekken uit WTO, geen bilaterale handelsverdragen en invoering van een prijskartel voor melk en andere producten. De Europeanen gaan dan meer toeleggen op de prijs van de dagelijkse boodschappen dan het EU-beleid nu kost. En de Nederlandse land- en tuinbouw met haar werkgelegenheid, specialistische kennis en innovatiekracht moet dan krimpen. In vergelijking daarmee is het Europese landbouwbeleid dus goedkoop.

Klaas Johan Osinga is verbonden aan LTO Nederland.

    • Klaas Johan Osinga