Keuzevrijheid lastig voor banken

Concurrentie tussen toezichthouders is goed voor de financiële sector. Maar het financiële stelsel als geheel wordt er instabieler van en het kost de maatschappij geld.

Gevoelsmatig klinkt het logisch, maar nu is het ook wetenschappenlijk aangetoond. Het bestaan van meerdere toezichthouders die zich met de financiële sector bezig houden, is weliswaar goed voor de financiële sector, maar het is slecht voor de economie als geheel.

Tot die conclusie komt onderzoeker Itai Agur van De Nederlandsche Bank (DNB) in een deze week verschenen working paper, een wetenschappelijke voorstudie geschreven op persoonlijke titel, maar uitgebracht onder de vlag van DNB.

Agur schrijft: „Een systeem met meerdere toezichthouders is zowel winstgevender (voor de financiële sector, red.) als fragieler.”

De huidige crisis laat dat zien: de winsten van de financiële sector waren in de jaren voor de crisis zeer hoog, de crisis zelf toont de fragiliteit van het systeem aan.

Uit het onderzoek blijkt dat de hogere winsten voor de financiële sector uiteindelijk niet opwegen tegen de welvaartswinst van één stabiele toezichtshouder in plaats van toezichtsconcurrentie. Agur berekent het positieve effect van één toezichthouder in plaats van meerdere op 0,5 tot 1 procent aan economische groei. De berekening is overigens gebaseerd op de Amerikaanse situatie.

Agurs conclusie komt op een interessant moment. Sinds het uitbreken van de financiële crisis is er een debat gaande over de rol die de toezichthouders hebben gespeeld bij het ontstaan van de crisis. Daarbij staat de vervolgvraag centraal hoe het toezicht zodanig ingericht kan worden dat een toekomstige crisis voorkomen kan worden.

Een van de oorzaken van de crisis was dat verschillende toezichthouders met elkaar zijn gaan concurreren. Dat gebeurde binnen de Europese Unie tussen lidstaten, waarbij bijvoorbeeld de Britse toezichthouder soepeler regels hanteerde dan de Franse om financiële instellingen te bewegen zich in de Londense City te vestigen.

Agur: „De strijd om de financiële centra in Europa heeft geleid tot concurrentie op toezichtsgebied. Daarmee heeft het eenzelfde effect als het hebben van meerdere toezichthouders in de VS die zich met een en dezelfde sector bezig houden.”

In de VS was de concurrentie tussen toezichthouders tot grote hoogte gestegen. Commerciële banken vielen (en vallen) daar onder drie toezichthouders: de Federal Deposits Insurance Corporation (FDIC), de Office of the Comptroller of the Currency (OCC) en de Federal Reserve Board. Alle drie hielden ze zich bezig met delen van het bankentoezicht. De laatste jaren zijn commerciële banken weggetrokken van de relatief strenge OCC. Een aantal grote nationale banken heeft het OCC-toezicht ingeruild voor toezicht door de FDIC.

Half juni presenteerden president Barack Obama en minister van Financiën Timothy Geithner een nieuw toezichtsmodel voor de VS, waarbij de Federal Reserve, het stelsel van centrale banken, een zwaardere rol zou krijgen in het toezicht op de hele financiële sector. Dat neemt niet het bezwaar weg dat er nog steeds meerdere toezichtshouders zijn die zich met de banken bezighouden.

In Europa woedt een soortgelijke discussie. In de nasleep van de crisis stelde een commissie onder voorzitterschap van oud-IMF-topman Jacques Delarosière een rapport op met voorstellen hoe het Europees financieel toezicht te harmoniseren. Dat rapport ging volgens critici niet ver genoeg, omdat het slechts aandrong op vrijwillige samenwerking tussen nationale toezichthouders. Dat lost het probleem van toezichtsconcurrentie niet echt op.

Agur doet geen beleidsinhoudelijke aanbevelingen om tot één Europese toezichthouder te komen, maar bekend is dat zijn baas, DNB-president Nout Wellink, voorstander is van een sterke Europese toezichthouder voor grensoverschrijdende banken. Dat lijkt vooralsnog politiek onhaalbaar, met name door verzet van Duitsland en Groot-Brittannië. Duitsland vreest te moeten opdraaien voor de kosten ervan en de Britten vrezen voor hun City.

    • Egbert Kalse