'Jij moet geen masseur worden, maar homeopaat kan wel'

Schrijver Arnon Grunberg werkt als masseur in het Roemeense kuuroord Baile Herculane. Hij ontmoet een aardige man die op dokter Mengele lijkt. Deel 9 in een serie.

’s Middags wordt het hier een graad of 36. Ondanks de hitte gaat mijn leraar, de masseur Dragos, om twaalf uur ’s middags in pension Lorabella met zijn vrienden drinken.

Daar is dokter Bogdan Raikanu, een gepensioneerde acupuncturist die eruit ziet als een nazidokter uit een film. In een stoffen tas vervoert hij zelfgemaakte drank, die hij in plastic flessen bewaart waarin ooit water heeft gezeten. Hij deelt de drank uit. Casa Lorabella voorziet in glazen, ijs en honing. Honing door de wodka vinden ze in Roemenië lekker.

Kinderen heeft dokter Raikanu niet, over een vrouw wordt nooit gepraat. Vroeger schreef hij ook haiku’s. Met de haiku’s is hij opgehouden maar acupunctuur doet hij nu en dan nog steeds.

Ik geloof daar weinig van. Zijn werk bestaat uit het drinken van zelfgemaakte schnaps.

Deze middag pakt dokter Raikanu mijn hand. Die hand is bezweet, maar wat wil je als het zesendertig graden is en je om half een in de middag al aan je vierde glas schnaps bezig bent?

„Jij moet geen masseur worden”, zegt dokter Raikanu tegen mij. „Je kunt wel homeopaat worden. Want je bent erg gevoelig en je ziet veel. Ik ga even je hartslag meten.”

Hij legt zijn vingers op mijn pols en ik kan alleen maar denken: een aardige man maar hij lijkt sprekend op dokter Mengele.

Aan de tafel zit ook meneer Ernesto Tauber, een magere man met een snor en een T-shirt waarop staat ‘El Salvador’. Hij is chef-ober in hotel Ferdinand maar dit is zijn vrije dag.

Plotseling vraagt hij mij: ‘Hoe heet de Nederlandse geheime dienst?’

„AIVD”, zeg ik.

Meneer Tauber pakt een papiertje uit zijn broekzak. Het is een boodschappenlijstje. Er staat één ding op: „Camembert”. Onder camembert schrijft hij: „AIVD”.

„Ik ben principieel vrijgezel”, vertelt meneer Tauber. „Vroeger werkte ik in een wegrestaurant niet ver van Stuttgart. Er kwamen veel Nederlanders. Die wilden allemaal hetzelfde: Schnitzel, friet en veel mayonaise. Ik ben Joods, maar niet religieus. Maar op mijn kalender staan de dagen waarop mijn ouders zijn overleden en op die dagen zeg ik kaddisj. Op Pesach maak ik een taart van matzes. Het liefst zou ik weer in de Raststätte werken, maar ze geven me geen nieuw contract.”

Dan staat meneer Tauber op. Hij neemt een laatste slok.

„Dit is mijn vrije dag”, zegt hij. „Ik moet naar huis.”

(wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg