In Arkel zijn de patiënten niet agressief

Stad en platteland groeien steeds meer naar elkaar toe, zo lijkt het. Welke verschillen zijn er nog? Deel drie van een serie: een huisarts in Arkel en een huisarts in Utrecht.

Als er ’s avonds iets is, komen de inwoners van Arkel gewoon naar het huis van dokter Peter de Vries en bellen aan. Dat is geen probleem, zegt hij. Hij kent ze lang. Vaak hielp hij nog bij hun bevalling. „Ik deel hun wel en wee. Ik leef met ze mee.”

Arkel ligt aan de Linge en telt een stuk of twintig straten. De praktijk van De Vries in buurtdorp Hoogblokland is aan een plein, met aan de ene kant de Nederlands Hervormde Kerk en aan de andere kant het buurtcentrum. Een voordeur staat wijd open, een paar huizen verderop lapt een vrouw de ramen. Eén keer per uur gaat er een bus naar Gorinchem.

„Ik ben hier gelukkig”, zegt De Vries. Het werk is prettig, want Arkel is een hechte gemeenschap. Als er een patiënt komt, kan De Vries hem beter behandelen, omdat hij ook zijn ouders kent en zijn zus en zijn buren en zijn schoonouders – van een bezoek of van een praatje bij de bakker. „Hoe meer verbanden je ziet, hoe beter je iemand kan behandelen. Vooral bij vagere klachten als hoofdpijn, buikpijn of vermoeidheid.”

Natuurlijk is er sociale controle, weet De Vries, en dat is juist goed. „Als er iemand ziek is, houdt je hele straat zich met je bezig.” Laatst kwam er een vrouw bij hem die zei dat de buurvrouw al weer drie keer met de sleutel háár voordeur probeerde te openen. Ze bleek te dementeren en dokter De Vries was er vroeg bij.

Heel langzaam verkleurt Arkel. Op de 3.500 inwoners wonen er nu vijf of zes allochtone gezinnen: Turken, Marokkanen en Somaliërs. De Vries leert om te gaan met taal- en cultuurbarrières. „Mensen uit sommige culturen gaan heel makkelijk naar een dokter. Ik bewonder artsen in de grote stad.”

Een van die huisartsen is Corinne Collette in het Utrechtse Zuilen. Ze lacht, en geeft De Vries gelijk. „Dit is inderdaad geen Arkel.” De helft van haar patiënten is van buitenlandse afkomst. Veel werkloosheid, ook bij autochtonen. Armoede, geweld en vooral veel onbehagen, zegt Collette. „De afgelopen 25 jaar zag ik hier de cohesie verdwijnen. Het op elkaar letten, voor elkaar zorgen: dat is weggegaan. Daarvoor in de plaats komt angst. Veel mensen in de wijk blijven de hele dag binnen, achter hun eigen achterdeur.”

Na haar studie opende Collette met veel ambitie in 1980 een praktijk in Zuilen, in het noorden van Utrecht. Er woonden arbeiders die in de bouw werkten en in de WAO dreigden te komen. Er waren veel mensen met een uitkering. „Ik probeerde te verhinderen dat ze werden afgesloten van gas en licht of ging helpen met het saneren van hun schulden. Ik dacht dat ik de wereld kon veranderen, maar dat is niet gelukt.”

‘Onwelbevinden’: dit woord gebruikt Collette vaak als ze spreekt over haar wijk. Onwelbevinden bij autochtonen, omdat de werkloosheid hoog is gebleven en ze de snelle, complexe wereld niet meer begrijpen. En bij allochtonen, door de opeenstapeling van problemen: diabetes door overgewicht, slecht Nederlands spreken en generatieproblemen. Ze ziet weinig verbetering. „Als ik vraag aan kinderen van vier – die gaan al naar school – waar ze pijn hebben, begrijpen ze me niet. Thuis spreken ze de taal van hun ouders.”

Veel onwetendheid en onverschilligheid. Niet opletten bij het vrijen, dus veel soa bij jongeren in Zuilen. „Vooral allochtonen denken dat je alleen de pil hoeft te slikken als je vrijt en abortus laat de islam niet toe”, zegt Collette. „Er zijn veel jonge zwangerschappen, vaak uit instabiele relaties. „Dan vrijen ze een keer en dan zegt de vrouw: ‘Nou ja, dan hou ik de baby maar’.”

Collette: „Ze hebben een groot gezin, moeten rondkomen met weinig geld, brengen de kinderen naar school en halen die van school, koken het eten. Vaak wonen hun ouders bij hen, maar hun man werkt niet mee in het huishouden.” Het verbale geweld van haar patiënten neemt toe. Collette schat dat zeker één op de twintig bezoekers of bellers agressief is. „Mensen zijn heel ongeduldig. Je wilt niet weten hoe vaak ze boos worden. Twee dagen rugpijn is al te lang. Terwijl ik pas ongerust wordt als het na zes weken nog niet voorbij is.”

Het is een van de redenen waarom onderzoekers van Nivel en het Sociaal en Cultureel Planbureau denken dat er de komende tien jaar een tekort ontstaat aan huisartsen in de stad. Jonge afgestudeerde huisartsen willen het liefst werken op het platteland – omdat de mensen vriendelijker en relaxter zijn.

Dokter Peter de Vries in Arkel heeft nooit last van agressieve patiënten. „Hoe beter het welbevinden van de mensen is, des te minder psychische en sociale problemen”, zegt hij. Als deskundige stelt hij dat het leven op het platteland gezonder is. „Mensen zorgen er beter voor elkaar, zodat ouderen langer in hun huis blijven wonen. Dat mensen vervuilen en overlijden zonder het iemand het merkt, zie je in een dorp niet. Hier vereenzaam je niet snel.”

Jaarlijks vestigen zich nieuwe huishoudens in zijn dorp, maar in beperkte mate – ze verstoren het karakter niet. „Zij voelen zich hier al snel thuis. Als het nodig is, staan ook zij klaar te helpen.”

Nooit wil De Vries weg uit Arkel, waar vorig jaar het meest opwindende de viering van het 1020-jarige bestaan was. „Ik hoop hier oud te mogen worden.” Hij is ook lid van de vrijwillige brandweer. „Gisteren haalde ik nog een paard uit de sloot.”

Lees de eerste twee delen op nrc.nl/binnenland

    • Frits Baltesen