Gewoon niet oefenen

De leden van The Whitest Boy Alive zien elkaar weinig en repeteren bijna nooit.

Liedjes ontstaan tijdens soundchecks en onderweg.

Sommige bands houden niet van interviews. Maar The Whitest Boy Alive is gewoon zoek. Of in ieder geval weten de bandleden niet altijd van elkaar waar ze uithangen. Bassist Marcin Öz tref ik in Berlijn. In de Rochstrasse, luidt zijn instructie aan de telefoon. „Ik zit en ik drink koffie”.

Ik vind hem op een bankje voor café Buscaglione. Een grote bos krullen, gele skinny jeans, en flinke retro-gympen. Uit een buiktasje vist hij muntjes voor nog meer koffie. De beste van de stad. „Ik zit hier iedere dag.”

Als enige, dat wel.

Want terwijl Marcin Öz het platenlabel Bubbles runt, werkt de rest van de band aan andere projecten. Zanger Erlend Øye verhuisde onlangs terug naar zijn geboorteplaats Bergen in Noorwegen. Hij toert inmiddels rond met zijn andere succesvolle band: Kings Of Convenience.

„Erlend reageert alleen op e-mails die hem interesseren”, zegt Öz. „Zijn telefoonnummer heb ik niet.”

En toch gaat het goed met The Whitest Boy Alive. Het concert dat de band onlangs gaf in club Trouw Amsterdam was binnen een half uur uitverkocht. Na Dreams, het debuut uit 2006, is er inmiddels een tweede plaat, Rules. Ook die werd goed ontvangen. Deze zomer toeren ze door Europa, daarna volgen de Verenigde Staten.

Hoe doe je dat? Hoe kun je succesvol zijn als je elkaar zo weinig ziet?

„Gewoon, niet oefenen”, weet Öz. Dat kan trouwens ook niet. Want Erlend is wel eens een maand of twee zoek. „Dan komen we elkaar backstage tegen, vlak voor de show. Tijdens de soundcheck nemen we dan nieuwe plannen door. Zo zijn bijna alle nummers op Rules tijdens de tour ontstaan.”

Die liedjes zijn een mengeling van indierock en disco. Zanger Erlend Øye zingt daar met een hoge kopstem overheen; over The Whitest Boy Alive, een fictief persoon die wil ontsnappen uit zijn kleine, benauwde wereld. Een figuur die overigens verdacht veel lijkt op de lange, bleke zanger zelf.

Het gebrek aan tijd om te oefenen heeft nog meer voordelen, vindt Öz. Bovendien, zegt hij, ze zijn goede muzikanten die op hun podiumervaring kunnen vertrouwen. „Als je veel oefent, speel je de show die je hebt voorbereid. Wij weten niet precies wat er gaat gebeuren. Dat maakt onze optredens spannend. Uniek ook.”

Dat wil overigens niet zeggen dat ze niet kritisch zijn. Alle concerten worden opgenomen, en online in een archief opgeslagen. Daar kunnen ze alle vier bij. Regelmatig nemen ze hoogte- en dieptepunten door.

Dan duikt plots ook toetsenist Daniel Nentwig in de Rochstrasse op. Tegenwind, excuseert hij zich terwijl hij zijn fiets aan een boom vastlegt. Met zijn vingers kamt hij door zijn snor. Het was laat gisteravond. Marcin Öz krijgt een stevige knuffel. Het laatste optreden is alweer drie weken geleden.

Daniel Nentwig kwam samen met drummer Sebastian Maschat pas later bij de band. Aanvankelijk was The Whitest Boy Alive een duo, een ‘electronic dance music project’. Geen klassieke band.

Øye die destijds met Kings of Convenience vooral melodieuze indierock maakte, wilde iets anders. Hij voelde zich geïsoleerd in Bergen, vertelde de pers dat hij op zoek was naar een touw om zich uit het moeras te trekken. Nieuwsgierig naar de dance-scene in Berlijn verhuisde hij in 2002 naar de Duitse hoofdstad. Een jaar later richtte hij met Öz The Whitest Boy Alive op.

Maar samen optreden werkte niet. „Het was dommig, zo achter een laptopje. Ik kon er net zo goed niet staan”. En dus vroegen ze Maschat en Nentwig er bij. De nummers bleven intact, de laptop werd vervangen door analoge apparatuur. Öz: „Ik las laatst een recensie waarin onze muziek ‘onnodig luxe’ werd genoemd. Daar zit wel iets in. In feite kun je het met een computer in je eentje maken.”

Maar waarom doen ze dat dan niet? Öz zucht: „Omdat we muzikanten zijn”.

The Whitest Boy Alive verlangt naar een klassieke rockbezetting, maar met de klank van digitale muziek. Dat uit zich ook in hun manier van opnemen. Alle nummers op het album Rules zijn in één take opgenomen, zonder overdubs maar met synthesizers. Die werkwijze leverde honderden opnames op – de beste belandden op de plaat.

Ook live werken ze met ‘echte’ mensen, en ‘echte’ instrumenten. Zoals afgelopen april. Terwijl Daniel Nenwtig op het Amsterdamse Trouw-podium een rifje op zijn synthesizer pingelt, zingt Erlend Øye „So baby if you want me. You’ve got to show me love”. Het ultieme dancenummer van de jaren negentig, ‘Show me love’ van Robin S., speelt The Whitest Boy Alive zónder computer. En dat klinkt verrassend hip en tijdloos.

Het publiek barst joelend los. Øye duikt de uitzinnige menigte in. Zijn lange dunne armen zwiepen door de lucht, zijn lichaam dobbert de zaal in. Steeds verder drijft de zanger van de bandleden af. Terwijl de rest op het podium doorspeelt, grijpt Marcin Öz tenslotte de microfoon. „Mister Erlend Øye”, smeekt hij. „Please. Come back on stage!”

    • Lineke Nieber