Gelovig ben je thuis ook

Om van ‘ontmoskeeing’ te spreken, gaat nog wat ver.

Maar de tweede generatie moslims belijdt het geloof net als veel christenen individueel.

De poldermoskee in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart, september 2008. Foto Thomas Donker Donker, Thomas

De kerkbanken worden al jaren leger, nu blijkt het ook stiller te worden in de moskeeën. Het is wellicht nog te vroeg om te spreken van zoiets als ‘ontmoskeeing’, toch is de daling van het bezoek aan het islamitische gebedshuis significant, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het gisteren verschenen rapport Religie aan het begin van de 21ste eeuw.

Het aantal gelovigen dat minimaal een keer per maand een moskee bezoekt, is in tien jaar tijd met 12 procent afgenomen. Meer precies: ging eind jaren 90 nog 47 procent van de moslims minstens één keer per maand naar de moskee, tussen 2004 en 2008 is dit aantal gedaald tot 35 procent. Bijna de helft van de moslims ging vorig jaar nooit, of bijna nooit, naar het gebedshuis. Een kwart van de moslims bezocht de moskee wekelijks of vaker.

Bij de katholieken en protestanten noemen vooral mannen zichzelf gelovig (56 procent), binnen de moslimgemeenschap noemen vooral vrouwen zich religieus. Ruim 80 procent van de niet-westerse allochtonen beschouwt zichzelf als gelovig, meer dan de helft (52 procent) van hen is vrouw. Moskeebezoek is weer vooral een mannenzaak: 34 procent van de islamitische mannen bezoekt wekelijks of vaker de moskee. Bij de moslima’s is dat nog geen 15 procent.

Uit het onderzoek, een vervolg op een CBS-rapport uit 2001 over religie in Nederland in de 20e eeuw, blijkt bovendien dat het aantal moslims in Nederland de afgelopen jaren niet is toegenomen. Volgens nieuwe berekeningen telde Nederland in de periode 2007-2008 zo’n 825.000 moslims. De laatste vier jaar is het percentage moslims gelijk gebleven, rond de vijf procent van de totale bevolking.

De afname van het bezoek aan zowel kerk als moskee betekent nog niet dat mensen minder religieus worden. In het rapport Geloven in het publieke domein uit 2006 van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) werd al geconstateerd dat het kerkbezoek afneemt, terwijl mensen zich wel gelovig blijven noemen.

„Deze daling is vooral een gevolg van de verdere individualisering”, stelt Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en betrokken bij het CBS-rapport. „Er zijn nog steeds veel mensen die zichzelf gelovig noemen, maar de beleving van de godsdienst is meer en meer een privéaangelegenheid geworden. Nu raakt deze ontwikkeling dus ook de moslimgemeenschap. Tweedegeneratieallochtonen voelen meer vrijheid en gaan daardoor zelfstandige keuzes maken in hun geloofsbeleving.”

Algemeen zetten actieve gelovigen zich vaker in als vrijwilliger, of bijvoorbeeld als mantelzorger dan niet-gelovigen. Toch doet het dalende kerk- en moskeebezoek geen afbreuk aan de sociale cohesie, zo blijkt uit het rapport; het verenigingsleven en het vrijwilligerswerk lijden er niet onder. Dat duidt er volgens de samenstellers op „dat andere krachten ervoor zorgen dat de tanende impuls van de kerk gecompenseerd wordt. Hoe dit werkt, weten we niet precies.”

Mogelijk speelt opleiding hierbij een rol: onder hoogopgeleiden zijn tweemaal zoveel vrijwilligers als onder de lageropgeleiden.

„Het lijkt erop dat mensen zich wel verenigen, maar vooral binnen de eigen groep”, zegt Latten. Net als gelovige autochtonen zijn gelovige allochtonen vaker vrijwilliger, mantelzorger of donateur dan niet-religieuzen. Ook nemen moslims relatief vaker deel aan het verenigingsleven dan niet-gelovige allochtonen.

Het contact tussen het groeiend aantal verschillende groepen – ‘netwerken’ of ‘leefstijlen’ zoals Latten het noemt – is minder aanwezig. Zo gaat zo’n 20 procent van de niet-gelovige allochtonen (Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers) vaak bij autochtone Nederlanders op bezoek. Van de gelovige allochtonen heeft slechts 10 procent regelmatig contact met autochtonen.

„Blijkbaar bindt de religie vooral personen binnen de eigen groep, maar niet daarbuiten”, luidt een van de conclusies uit het onderzoek. Ook als het gaat om de verbondenheid met Nederland, zijn er verschillen tussen gelovigen en niet-gelovigen. Deze verschillen zijn vooral groot onder Turken en Marokkanen, die zich ook sterker identificeren met het herkomstland en vaker heimwee hebben dan Surinamers en Antillianen.

„Door de individualisering van de samenleving is er steeds meer behoefte aan het zichtbaar maken van de eigen identiteit”, vertelt Latten. „Zo zie je ook dat sommige gelovigen strakker in de leer gaan zitten om zich te onderscheiden.”

„We kunnen stellen dat geloof niet meer als enige bindmiddel van de samenleving geldt. Daarom is het van belang nieuwe manieren te vinden die onderling kunnen binden, daar zou een maatschappelijke discussie over moeten komen.”