Duitse hof Karlsruhe niet alleen nationaal

De uitspraak van het Duitse hof in Karlsruhe verzwakt de EU-rechtsorde niet, menen Ton van den Brink en Hans van Meerten.

Graag onderschrijven we de mening van de drie geïnterviewde hoogleraren (NRC Handelsblad, 22 juli) dat de recente uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe in Nederland te weinig aandacht krijgt. Het valt ons echter op dat – ook in dit artikel – de versterking van de nationale rechtsorde vooral als een verzwakking van de Europese samenwerking wordt uitgelegd. Die manier van kijken gaat uit van een schijntegenstelling die bovendien niet het perspectief van het Duitse hof weerspiegelt.

Het is de grote verdienste van het Duitse hof dat het zich niet laat vangen in deze bedrieglijke tegenstelling, die ook in Nederland en in de Nederlandse politiek zo dominant is geworden. De uitspraak kan daarom niet worden weggezet als de uitdrukking van een „nogal nationalistische politieke stemming” zoals Jaap de Zwaan stelt. Het hof verzet zich immers niet tegen de voorrang van het Europese recht, maar stelt zich juist op als verdediger van de „Europarechtsfreundlichkeit” die het in de Duitse Grondwet leest. Daarom erkent het hof ook het grondprincipe van loyale samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Unie. Dat geldt daarmee ook voor het voorrangsbeginsel dat op dit grondprincipe is gebaseerd.

Anderzijds is het hof ook geen aanhanger van de gedachte dat Europese samenwerking dan maar gewoon zijn gang zou moeten kunnen gaan en nationale organen dus tot een vorm van passiviteit zouden zijn veroordeeld. Integendeel, het hof roept andere staatsinstellingen, vooral de Bondsraad en de Bondsdag, op hun verantwoordelijkheid te nemen en het stelt vast dat het zelf ook die rol zal nemen in de toekomst. Schiet het hof daarmee gaten in de legitimiteit van de Europese Unie? De Zwaan lijkt te denken van wel als hij zijn zorgen uitspreekt over de „dynamiek” van Europese samenwerking die door de uitspraak zou worden ontnomen. Wij menen echter dat het tegendeel waar is. Een nationaal hof dat actief werk maakt van Europese onderwerpen, draagt, zeker op lange termijn, juist bij aan de verankering van Europese samenwerking. Beter dan het hof zelf kunnen wij die gedachte niet verwoorden: “[...] die verfassungs- und die unionsrechtliche Gewährleistung der nationalen Verfassungsidentität im europäischen Rechtsraum [gehen] Hand in Hand” ofwel: de grondwettelijke en Europeesrechtelijke waarborging van de nationale constitutionele identiteit gaan in de Europese rechtsruimte hand in hand.

Ton van den Brink is directeur van het Europa Instituut Utrecht. Hans van Meerten is medewerker van dit instituut.

Het interview met de drie hoogleraren is na te lezen op nrc.nl/opinie, bij de digitale versie van dit artikel.