Drie dagen per jaar is dit een stad met 60.000 inwoners

Drie dagen per jaar wordt Biddinghuizen overspoeld door festivalliefhebbers.

Maar tijdens die andere 362 dagen per jaar, hoe ziet het dorp in Flevoland er dán uit?

Juli 2009, paarden grazen op de plek waar ieder jaar tijdens Lowlands de Alpha-tent staat. Foto Martijn van de Griendt Griendt, Martijn van de

Op de plek waar jij (straks) staat, was 56 jaar geleden water. Drie meter diep. Met onder je voeten scheepswrakken, vliegtuigwrakken, dorpen die de strijd met de Zuiderzee hadden verloren.

De plek waar jij dit (straks) leest, was 56 dagen geleden nog één grote grasvlakte. Kaal. Met alleen op de grond van de Alpha-tent wat leven. Drie paarden in de wei.

Het is juni. Evenementmanager Paul Nelissen van Walibi World geeft een rondleiding over het terrein. Achter het heuveltje naast de paarden slaan we rechtsaf, een bospad in, tot voor de ingang van een grote, houten schuur.

Binnen hangt een mestgeur, afkomstig van balen stro. „Nu zijn we backstage”, zegt Nelissen. „In het hoofdkwartier van Lowlands. Hier huist de organisatie. Twee maanden terug zijn in deze schuur nog acht geitjes geboren. Straks staan hier overal computers, ligt er tapijt en zijn de wanden behangen met plattegronden.”

Drie dagen per jaar is deze schuur het zenuwcentrum van een stad met 60.000 inwoners. Die andere 362 dagen is de schuur gewoon de schuur, staat het evenemententerrein – op enkele andere festivals na – leeg, en is Biddinghuizen gewoon Biddinghuizen.

Hoe ziet deze omgeving er dán uit?

Wie bij de loopbrug met zijn rug naar het festivalterrein staat, kan twee kanten op: links Elburg, vijf kilometer; rechts Biddinghuizen, acht kilometer. Het wordt rechts, een voettocht naar het dorp dat iedereen kent. Van naam.

Aan de lange rechte weg ligt één woonhuis, grenzend aan het festivalterrein. In de moestuin staat een man, omringd door geitjes, kippen, een blaffende hond, tuinkabouters en een houten bordje met daarop ‘Eieren te Koop’. De 69-jarige Kees de Bruyn, de enige echte buurman van Lowlands.

In de 35 jaar dat hij hier woont is de omgeving weinig veranderd, zegt De Bruyn terwijl hij zijn schep tegen het tuinhekje laat rusten. Ja, het zicht op het Veluwemeer is hem ontnomen door een rij bomen. En de weg werd drukker, noodlottig voor de vele katten die vanwege vakantiestress vaak ontsnapten van nabijgelegen campings. „Ik heb er al heel wat hier aan de weg moeten begraven”. En je had de World Jamboree, in 1995, met die gekke Japanners die bij stralend weer in regenkleding bléven lopen. „Ze dachten dat het in Nederland altijd regent.” Maar de weidse ruimte, waarvoor De Bruyn en zijn vrouw van Noord-Brabant naar Flevoland zijn verhuisd, is gebleven.

Van Lowlands heeft De Bruyn geen last. „Wel van die heiligen, van dat festival De Opwekking laatst. Hadden ze hierachter bij de survivaltrek alle ruiten, koplampen en richtingaanwijzers van twee Landrovers eruit geslagen.” Ook zag zijn schoonzoon dat kinderen onder het hek probeerden binnen te glippen. „Terwijl het festival gratis was! Hij liep op z’n sandalen, anders had ‘ie ze gehad.”

Eigenlijk, zegt De Bruyn, heeft hij van Lowlands vooral profijt. Het geluid hoort hij niet. Dat vliegt als een straaljager over hem heen om verderop, in de christelijke dorpen aan de overkant van het Veluwemeer, te landen. Maar de vrijkaarten ter compensatie krijgt hij wel. Die gaan naar de schoonzoon, die hier elk jaar met vrienden in de tuin kampeert. „Dat snap ik niet, binnen hebben we bedden zat.” En in de wintermaanden is De Bruyn hele dagen met zijn metaaldetector op het evenemententerrein te vinden. Hoeveel hij ophaalt? Hij glimlacht. „Genoeg. Zeker als het met Lowlands heeft geregend, dan trappen ze al die munten de grond in.”

Vier kilometer rechtdoor, vier kilometer rechtsaf. Zo kom je in Biddinghuizen. Lopend over een kaarsrecht grijsbetonnen fietspad naast een provinciale weg met weinig verkeer. Langs enkele boerderijen, vierkante akkers en een rechte partij bomen. En waar je ook bent, in de verte het geruis van achtbanen met bijbehorend gegil.

Na anderhalf uur lopen zijn er de contouren van een vierkante kerktoren boven rode daken. Niet veel later de eerste buitenwijk. Twee onder één kap, stationwagens, een keurig gemaaid voetbalveldje met overwoekerde doeltjes - doelman onnodig. Waar het beton overgaat in rode straatsteen staat boven een bak met witte bloemen een houten bord: ‘Welkom in Biddinghuizen’.

Een brede, groene straat eindigt bij de dorpskern: een plein, een kerk, een winkelcentrum. Op het plein klinkt onophoudelijk geroep van een koekoek, uit het dorpshuis aan de overkant hoorngeschal van twee meisjes met muziekles.

Alleen het winkelcentrum is bevolkt. Ouderen en moeders met kinderen, kletsend voor de C1000. En voor de ingang van de Lidl, aan de achterzijde van het complex, waar een Sinti uit Lelystad de daklozenkrant verkoopt.

Op het plein aan de overkant staat in elke hoek een bankje. Rondom het bankje rechtsachter hangen Serhat, Ekrem, Amjed, Oguzhan, Murat en Jurdy. Jongens in overhemd en capuchontrui met baggy broek. „Dit is ons bankje”, zegt Serhat, met twintig jaar de oudste. „Onze vaders chillden hier vroeger ook al.” Hij wijst naar het lege bankje schuin tegenover hem. „En daar zitten normaal de nazi’s, de gabbers. We hebben ze geaccepteerd. Ruzie maken in zo’n klein dorp is onhandig.”

Rondjes rijden of auto’s kijken op Marktplaats. Dat is wat de jongens doen als ze hier zijn, en niet voor werk of studie in een van de steden vijftig kilometer verderop. Een van hen: „En eens per jaar een bushokje slopen, na een verkeersboete bijvoorbeeld. Maar eigenlijk zijn we best braaf.”

„Voor ons is hier niets”, zegt Murat. „Vroeger had je hier aan de overkant nog ’t Muurtje, een begrip in Biddinghuizen. Daar zaten alle jongeren ’s avonds te drinken. Maar dat is afgebroken.”

Probleem, zegt een ander, is dat jongeren na hun twintigste verhuizen naar de stad. „Op zaterdagavond kun je in Biddinghuizen iemand neersteken en niemand die het ziet. Zelfs de mooie meisjes, ze zijn er wel, zitten hier als bejaarden de hele dag thuis.”

Onlangs opende het nieuwe ouderencentrum. En is er een tweede bloemist gekomen. Murat: „Maar nog steeds geen Aktiesport.” Wel een jongerencentrum („meer voor kinderen”), een nieuwe skatebaan („leuk voor die drie skaters hier”), Walibi („ook dat heb je na twee keer wel gezien”) en, vorig jaar de vrouwenhandel, achter de Lidl: Poolse vrouwen, werkzaam in de grote schuren bij boeren in de omgeving, die mannen meenamen naar de sportvelden verderop.

Ergens begrijpen de jongens het ook wel: met zoveel subculturen onder zo weinig jongeren is het moeilijk iedereen te behagen. „Maar een groot sportcentrum, daar zouden we allemaal wat aan hebben.”

Blijven wonen in Biddinghuizen is alleen voor Serhat een optie: „Lekker rustig, en je kent iedereen”. Anderzijds: Biddinghuizen „trekt slechte mensen aan”, Biddinghuizen „wordt zwart”. Murat: „Al het uitschot uit Almere, Lelystad, en Amsterdam trekt hier naartoe. De reclassering plaatst ze in goedkope huizen.” Hij wijst naar de woningen aan de overkant: planken voor de ramen. „Die daar worden gekraakt. Zonwering dicht en schreeuwen. Vieze mensen. Wij hier zijn zulke mensen niet gewend.”

Het is vijf uur ’s middags. In café ’t Koetsiertje, naast de supermarkt, treft barkeeper Tim Timmermans, een man met grijze krulsnor, de laatste voorbereidingen. Niet veel later is de bar rondom bezet. Vijf mannen in beige driekwartsbroek, de fruitautomaat permanent in gebruik.

Toeristen, zegt Timmermans, komen hier nauwelijks. „Die gaan liever naar Elburg of Harderwijk, daar heerst een andere ambiance.” En de dagjesmensen díé Biddinghuizen bezoeken, vaak afkomstig van de nabijgelegen campings, krijgen „de teleurstelling van hun leven”. „Dan fietsen ze hier vijf minuten op en neer en vragen ze op het terras: ‘Meneer is er nog een centrum?’” Timmermans schept wat ijs in een bak. „Ja ja, het valt allemaal niet mee jongens.”

Het was de liefde die de barman 35 jaar geleden deed besluiten van Kampen naar Dronten te verhuizen. Vijftien jaar later zou hij in Biddinghuizen zijn café openen. De concurrentie destijds van de twee andere cafés was voor Timmermans alleen maar gunstig: „De jongeren bleven hier ’s avonds drinken, want er was keuze: was het ene café ongezellig, dan kon je naar de ander.” Die cafés zijn nu verdwenen, evenals de jongeren. Timmermans: „Alles heb ik geprobeerd. Sjoelavonden, pannenkoeken bakken, jongeren die zelf het café mogen runnen. Maar het houdt een keer op. De trukendoos is leeg.”

Waar is het in Biddinghuizen misgegaan?

Met de bodem van de Zuiderzee, 56 jaar geleden. Die bodem bestond uit klei. Klei die alleen in het oostelijk deel van de zee, daar waar Biddinghuizen ligt, was vermengd met zware zavel: de perfecte grond voor landbouw. En dus werd met de drooglegging van Flevoland besloten het oostelijk deel, naast een recreatieve, ook een belangrijke agrarische functie te geven.

Tien dorpen moesten hier komen, rond ‘centrumdorp’ Dronten. Een van die dorpen, Biddinghuizen, zou 2.000 inwoners moeten tellen. Later 6.000, het huidige aantal. De inwoners van Biddinghuizen zouden goedkoop een huis kunnen krijgen. En werk in de landbouw, bij boeren die goedkoop kavels konden pachten.

En dan de realiteit: de afstand tot economische centra Lelystad en Almere bleek te groot, het algemene welstandsniveau nam toe, de interesse in de agrarische sector daarmee af. Kleine boeren verkochten hun kavels aan grootgrondbezitters en vertrokken. Grootgrondbezitters namen goedkope, buitenlandse arbeidskrachten aan. Dienstwoningen voor de landarbeiders stonden leeg. En van de tien geplande dorpen bleken alleen Biddinghuizen en Swifterbant levensvatbaar.

Maar ook die lopen leeg. Voor de kinderen van de eerste bewoners valt hier niets meer te halen. Alleen de ouderen blijven achter.

De oplossing? „Weg uit het isolement”, zegt barman Timmermans. „Er zouden hier, jaren geleden al, 700 recreatiewoningen worden gebouwd. Dat is nooit gebeurd. De wegen zouden worden verbreed. Dat is nooit gebeurd. De spoorlijn zou worden doorgetrokken tot Dronten. Dat is nooit gebeurd. In plaats daarvan is nu de buslijn naar Elburg opgeheven.”

„Weet je wat ze moeten doen”, zegt een van de mannen aan de bar. „De wegen naar Lowlands afzetten en een omleiding maken. Hier dwars door het dorp. Dat zou goed zijn. Voor Timmie, voor de jongens van snackbar Twins, voor het hele dorp.” Timmermans: „Dan zullen ze wel weer een andere sluiproute weten te vinden.”

    • Freek Schravesande