Boven Brabantse beek stikt het van de libellen

Graaf een beek en libellen komen er op af. Zoals op oud-landgoed Stippelberg in Oost-Brabant.

Een blauwe breedscheenjuffer zit vastgeplakt op de zonnedauw, een vleesetend plantje dat, zo dadelijk, een einde zal maken aan het leven van deze libel, als zijn trage gespartel is verstomd. „De dierlijke stoffen worden nu overgebracht naar de plant”, stelt Kars Veling van de Vlinderstichting droogjes vast.

Het tafereeltje speelt zich af aan de oever van een van de dertig poelen in het voormalige landgoed Stippelberg in de Brabantse Peel. Het stikt er van de libellen, vooral sinds Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en waterschap Aa en Maas zes jaar geleden een nieuwe beek hebben aangelegd, een kronkelend helder water dat de Peelse Loop verbindt met De Rips, de naam van een beek in de buurt van het dorp met dezelfde naam.

De Stippelberg dankt zijn naam aan kleine stuifduinen die als stippen in het landschap zichtbaar zijn. Het landgoed behoorde toe aan de familie Ledeboer die ruim honderd jaar geleden de woeste en ledige gronden liet ontginnen om er hout te oogsten. Zo bleef het tot vijftien jaar geleden een „monotoon productiebos”, aldus Natuurmonumenten, dat het duizend hectare grote gebied in 1994 in bezit kreeg en het aantal plant- en diersoorten fiks heeft vergroot.

Trots somt boswachter Paul van der Aa de nieuwe soorten op. Das, rugstreeppad, moerassprinkhaan, gevlekte orchis. En veel libellen, 46 soorten: tweederde van het aantal dat in Nederland voorkomt.

In de Stippelberg zijn de afgelopen vijftien jaar heel wat Corsicaanse dennen gekapt. Dood hout mocht blijven liggen om nieuw, ander leven mogelijk te maken, van krioelende insecten bijvoorbeeld. Er zijn poelen aangelegd of vergroot. En de beek is gegraven. Het landschap langs de beek is gevarieerd. De beek meandert zo lustig, dat langs de oevers andere gebiedjes zijn ontstaan. Dat hebben libellen nodig: schoon water, voldoende water- en oeverplanten, helder water om twee tot drie jaar lang als larf onder water met het oog te kunnen jagen op muggenlarven en kikkervisjes, en voldoende beschutting op land om van daaruit langs zonnige bospaden te kunnen jagen in het leven als libel dat slechts enkele weken duurt.

Langs de beek vangt Kars Veling een bruine heidelibel. „Herkenbaar aan het hitlersnorretje.” We zien de weidebeekjuffer. De bruine glazenmaker. En daar boven het water weer de bruinrode heidelibel, die haar eitjes met haar lange lijf in het water slaat, stevig vastgehouden door een mannetje dat wil voorkomen dat een ander mannetje haar opnieuw bevrucht. „Pure jaloezie”, zegt Kars Veling.

De beek staat bij het waterschap Aa en Maas in de boeken als watergang 51-1 en heeft nog geen naam. Suggesties zijn welkom.

    • Arjen Schreuder