Bokkengevecht

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

‘Bokkengevecht, wie het eerst op de grond lag. Dat was de manier in ons geboortedorp om conflicten op te lossen.’ Two goats locked horns during a goat fighting match at Wadian town, Linquan county, Fuyang city, east Chinas Anhui province, Monday, July 27, 2009. About 140 goats raised by local farmers took part in the match. Imaginechina

De Kerstdagen van 1973 bracht ik door met mijn neef Mustapha en Kemal de Turk. We zaten in de huiskamer en warmden ons aan de gaskachel. Buiten vroor het een paar graden onder nul. Het weinige daglicht dat overdag scheen was grijs en dof.

In die dagen dacht ik vaak terug aan het oorlogsverhaal dat mevrouw Hannie mij had verteld. Nog steeds kon ik niet begrijpen hoe zoiets plaats had kunnen vinden in dit land. Duizenden Joden weggevoerd en vermoord, alleen maar omdat ze Joods waren. Ook mevrouw Hannie verloor een groot deel van haar familie in die oorlog. Als mij hetzelfde was overkomen, dan weet ik niet of ik net zo levenslustig was gebleven als mevrouw Hannie.

„Weten jullie wie Hitler is?” vroeg ik aan Kemal en Mustapha.

„Nee, Peter”, zei Mustapha. „Dat weet ik niet, Peter. Leg me alsjeblieft uit wie Hitler is, Peter.”

Mustapha’s sarcasme ontnam mij alle vertellust.

„Eet je hoofd op, jij paardenkop”, zei ik. Daarna stond ik op en liep naar de keuken om het avondeten voor te bereiden.

Ik trok de koelkast open en haalde er alle ingrediënten uit. Met een groot vleesmes begon ik op de groentes in te hakken alsof het houtblokken waren.

De pesterijen van Mustapha waren al een tijdje aan de gang. Hij nam het mij kwalijk dat ik Nederlandse les volgde. Om mij te kwetsen noemde hij mij Peter. Ook kocht hij een keer een rookworst en bood mij deze aan met de woorden: „Hier, eet, dan word je net zo groot en blond als een echte Nederlander.”

Maar de laagste streek die hij mij leverde, was het neerleggen van een vuistdikke bijbel op mijn kussen.

Terwijl ik mijn woede aan het afreageren was op de groentes, kwam Kemal de Turk de keuken binnen. Hij stond naast me en keek toe.

„Wat jij maken, Driss?”

„Soep”, mompelde ik.

„Soep Marokkaans?”

„Nee, soep Nederlands!” snauwde ik. „Ik Nederlands, ik eet alleen eten Nederlands!”

Kemal begreep dat ik niet in de stemming was en zweeg. Ik gooide alle groentes in de soeppan. Met een pollepel roerde ik heftig door het groentemengsel en smeet er zout en peper in.

„Driss, luister”, zei Kemal. „Ik, Mustapha, wij maken grappig. Niet boos jij, kardash.”

Kemal legde een hand in mijn nek en sprak een paar woorden Turks die troostend klonken. Daarna keerde hij terug naar de huiskamer.

Ik bleef in de keuken totdat de soep klaar was, schonk het in drie kommen en bracht het op een dienblad naar de jongens.

Ze aten met smaak, maar ik kreeg geen hap door mijn keel. Mijn leven zuur maken kon Mustapha als de beste, maar een bedankje voor de soep kon er bij hem niet vanaf. Laat staan excuses voor alle treiterijen.

„Bokkengevecht!” brieste ik in Mustapha’s gezicht. „Jij en ik! Nu!”

Bokkengevecht, dat was de manier in ons geboortedorp om conflicten op te lossen. Het was simpel: de eerste die op de grond lag had verloren.

„Eindelijk”, zei Mustapha en nam een laatste slurp van zijn soep.

We grepen elkaar vast en probeerden elkaar te tackelen. We kreunden, steunden en gebruikten al onze spierkracht. Alle woede en frustratie kwam tot uiting.

Op het hoogtepunt van het gevecht verloren we onze evenwicht en kwamen ten val. We hijgden van uitputting.

Achter ons klonk er gesnik.

„Waarom jullie zo doen? Wij vrienden”, huilde Kemal.

Mustapha begon als eerste te lachen. Het werkte aanstekelijk.

We lagen nog steeds in elkaar verstrengeld en kregen de slappe lach.

Hier was het bokkengevecht voor bedoeld. Om conflicten te beslechten en om met een schone lei te beginnen.