Moskee raakt leger maar clubgebouw blijft vol

Nog maar eenderde van de moslims bezoekt geregeld een moskee. De individualisering raakt alle groepen in de samenleving. Maar geloof is niet het enige bindmiddel.

Nederland ontkerkelijkt al decennia. Die trend doet zich nu ook voor onder allochtonen. Het is wellicht nog te vroeg om te spreken van zoiets als ‘ontmoskeeëing’, toch is de daling van het bezoek aan het islamitische gebedshuis significant, aldus het CBS in het vandaag verschenen rapport Religie aan het begin van de 21ste eeuw.

Eind jaren 90 ging nog 47 procent van de moslims minimaal één keer per maand naar de moskee. Maar dat is tussen 2004 en 2008 gedaald tot 35 procent. Bijna een kwart van de moslims bezocht vorig jaar wekelijks of vaker een moskee, tegenover de helft die bijna nooit of nooit naar het gebedshuis toe ging.

„Deze daling is vooral een gevolg van de verdere individualisering”, stelt Jan Latten. Hij is hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en ook betrokken bij het CBS-rapport. „Er zijn nog steeds veel mensen die zichzelf gelovig noemen, maar de beleving van de godsdienst is steeds meer een privéaangelegenheid geworden. Nu raakt deze ontwikkeling dus ook de moslimgemeenschap. Dat komt doordat tweedegeneratieallochtonen meer vrijheid voelen en daardoor zelfstandige keuzes gaan maken in hun geloofsbeleving.”

Als er minder mensen naar kerk of moskee gaan, dan maken wetenschappers zich zorgen over de mogelijke negatieve gevolgen hiervan voor de sociale cohesie. Mensen die actief zijn binnen het geloof zetten zich in het algemeen vaker in als vrijwilliger, of doen bijvoorbeeld aan mantelzorg. Je zou dus verwachten dat met het dalend kerk- en moskeebezoek ook de maatschappelijke samenhang afneemt.

Maar die zorgen lijken ongegrond, zo blijkt uit het CBS-rapport. Want mensen gaan weliswaar minder naar de kerk en de moskee, maar het verenigingsleven en vrijwilligerswerk lijden er niet onder. Dat duidt er volgens de samenstellers op „dat andere krachten ervoor zorgen dat de tanende impuls van de kerk gecompenseerd wordt. Hoe dit werkt, weten we niet precies.” Het is mogelijk dat opleiding hierbij een rol speelt: onder de hogeropgeleiden zijn tweemaal zoveel vrijwilligers als onder de lageropgeleiden.

„Het lijkt erop dat mensen zich wel verenigen, maar vooral binnen de eigen groep”, zegt Latten. Net als gelovige autochtonen zijn gelovige allochtonen vaker vrijwilliger, mantelzorger of donateur dan niet-religieuzen. Ook nemen moslims relatief vaker deel aan het verenigingsleven dan niet-gelovige allochtonen. Maar dit verenigings-en vrijwilligersleven speelt zich dus vooral binnen de groep af.

Het contact tussen het groeiend aantal ‘netwerken’ of ‘leefstijlen’, zoals Latten het noemt, is lastiger te vinden. „Mensen zijn meer gericht op de eigen groep.” Of het nu gaat om gelovigen, niet-gelovigen, autochtonen of allochtonen. Zo gaat zo’n 20 procent van de niet-gelovige allochtonen (Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers) vaak bij autochtone Nederlanders op bezoek. Van de gelovige allochtonen heeft slechts 10 procent regelmatig contact met autochtonen.

„Blijkbaar bindt de religie vooral personen binnen de eigen groep, maar niet daarbuiten”, luidt een van de conclusies uit het onderzoek. Ook als het gaat om de verbondenheid met Nederland, zijn er verschillen tussen gelovigen en niet-gelovigen. Deze verschillen zijn vooral groot onder Turken en Marokkanen, die zich ook sterker identificeren met het herkomstland en vaker heimwee hebben dan Surinamers en Antillianen.

Latten: „Door de individualisering van de samenleving is er steeds meer behoefte aan het zichtbaar maken van de eigen identiteit. Er ontstaan meer kleine netwerken, er is meer behoefte aan uiting van de eigen levensstijl. Zo zie je ook dat sommige gelovigen strakker in de leer gaan zitten.”

„We kunnen stellen dat geloof niet meer als enige bindmiddel van de samenleving geldt. Daarom is het van belang nieuwe manieren te vinden die onderling kunnen binden. Daarover zou een maatschappelijke discussie moeten komen.”