Melancholie van voormalig spionne

Schrijver Arnon Grunberg werkt als masseur in het Roemeense kuuroord Baile Herculane. Elektrotherapie maakt de tongen los. Deel 8 in een serie.

In Villa Belvedere, waar mijn leraar Dragos masseert, beginnen de sessies om acht uur ’s ochtends. Dragos wilde concertpianist worden, acht jaar studeerde hij in de Roemeense stad Tumu Severin. Toen begreep hij dat zijn handen te klein waren.

Elke ochtend stelt Dragos dezelfde vraag: „Waar zijn de patiënten?”

Soms klopt hij op de deuren van Villa Belvedere, een hotel met medische faciliteiten, om de gasten aan het bestaan van de masseur te herinneren. Dragos is een man die vriendschap lijkt te hebben gesloten met zijn wanhoop.

In Villa Belvedere werkt ook dokter Teleman, een kettingrookster van begin vijftig. Zij doet vooral elektrotherapie.

Vanochtend is haar patiënte Renate, een Roemeense vrouw van 55 die tegenwoordig in het Zwarte Woud woont, waar ze verpleegster is in een bejaardentehuis.

Ik doe de vochtige doekjes op de knieën van Renate, de dokter zet de elektroden erop.

De dokter gaat weg. Renate en ik zijn alleen. „Het is net of er mieren over mijn knieën heen kriebelen”, zegt ze.

Ik ga op het andere bed zitten. Renate begin te praten: „Heel mijn jeugd heb ik in Baile Herculane in de toeristenindustrie gewerkt. Tot ’89 was het hier prachtig. De Duitsers kwamen, de Finnen. We leefden in het paradijs, maar we beseften het niet. Iedereen wist wat hij moest doen. Er was geen werkloosheid. Ik kreeg soms een D-mark fooi. Dat was een vermogen en bijna alles was gratis. Ik deed de buitenlandse deviezen. Ik werkte in Hotel Roman, de buitenlanders moesten bij mij wisselen. Ik was bloedmooi, daarom hadden ze me die baan gegeven. Soms kwam de chef-kok me een bord brengen en onder het bord zaten bankbiljetten met een verlanglijstje. Dan moest ik voor hem wat spullen uit het buitenland regelen. Roemenen hebben een sterke man nodig. Ik wist het in ’89. Die vrijheid kunnen ze niet aan.”

Later zullen andere Roemenen me vertellen dat Renate waarschijnlijk de buitenlandse toeristen heeft bespioneerd.

„Loop met me mee naar het bad”, zegt ze.

Ik loop mee.

„Ik heb geen badpak bij me”, zegt ze. „Dan maar zo.”

Ze laat de handdoek van zich af glijden, ze dwingt me getuige te zijn van haar naaktheid.

Haar gezicht is verlopen, maar haar billen zijn mooi.

„Het was hier het paradijs”, herhaalt ze fluisterend. „En nu? Alles kaputt.”

Even wordt de melancholie van de voormalige spionne de mijne.

(wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg