Handel en mensenrechten gaan goed samen

Stel: Nederland doet geen handel met Gazprom. Zou Rusland de mensenrechten dan meer respecteren? Ik ben overtuigd van niet, zegt Maxime Verhagen.

Ik ben blij met de lof van Joost Lagendijk voor de keuze van de regering om mensenrechten centraal te stellen in het buitenlands beleid. Meer dan onder mijn voorgangers is het een onderdeel geworden van het dagelijkse diplomatieke werk.

Maar klopt het dat het ideaal van mensenrechten tegenover het verdedigen van de Nederlandse economische belangen staat, zoals Lagendijk suggereert? Daarin klinkt het idee door dat handel en investeringen door niets anders worden gedreven dan door hebzucht. De praktijk is echter anders. Nederland verdient zijn inkomen voor meer dan de helft in het buitenland. Als handelsnatie hebben we belang bij een stabiele wereld, en stabiliteit ontstaat alleen als mensenrechten worden gerespecteerd en de regels van de rechtsstaat worden nageleefd.

Op hun beurt dragen Nederlandse handel en investeringen weer bij aan stabiliteit in de wereld. De Europese Unie is hiervan het beste voorbeeld: een halve eeuw vrede dankzij de interne markt. Mensenrechten en conflictpreventie zijn dus inderdaad twee kanten van dezelfde medaille.

De keuze voor mensenrechten getuigt van realisme. Daarbij moet voor ieder land de lat op dezelfde hoogte liggen, namelijk die van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Dat geldt ook voor bevriende naties als de VS, Israël en onze partners in de Europese Unie. Afgelopen week heb ik mijn Litouwse collega nog aangesproken op de positie van homoseksuelen in zijn land.

We komen overal op voor mensenrechten. Maar op welke wijze we dat doen, laten we bepalen door de vraag hoe effectief we kunnen zijn.

Op een grote trom roffelen, straffen en isoleren is soms verstandig – en kan voor een minister publicitair voordelig zijn – maar is vaak niet de meest effectieve weg. Dat geldt zeker voor grote landen, gewoonweg omdat die maatregelen van Nederland, en zelfs van de EU, makkelijker van zich kunnen laten afglijden. Daarom gebeurt de bulk van het mensenrechtenwerk in relatieve stilte. Bijvoorbeeld uit het Mensenrechtenfonds dat ik bij mijn aantreden heb ingesteld, waarmee we mensenrechtenverdedigers ondersteunen met meer dan driehonderd projecten in zestig landen.

Neem Rusland. De Nederlandse regering laat geen gelegenheid voorbijgaan om president Medvedev en premier Poetin aan te spreken op hun plicht tot vervolging over te gaan wanneer mensenrechtenverdedigers worden vermoord, op detentieomstandigheden, vrijheid van meningsuiting, discriminatie van homo’s en persvrijheid.

Zou de mensenrechtensituatie sneller verbeteren als Nederland geen zaken doet met Gazprom, als we géén Hermitage hebben in Amsterdam? Ik ben overtuigd van niet. Juist omdat sprake is van wederzijds belangen, heeft Nederland enige speelruimte om te werken aan verbeteringen van de rechtsstaat en respect voor mensenrechten.

Door de Russische economie te koppelen aan de Europese, vindt in Rusland een geleidelijke aanpassing plaats aan de regels van onze interne markt. Daarmee wordt de EU meer en meer ‘normstellend’, ook in Rusland. Meer dan het opgeheven vingertje zet handel zoden aan de dijk.

Moeten we bij kleine landen een oogje dichtknijpen als het gaat om mensenrechten, en eerder belonen en stimuleren? Ook daar geldt: is het effectief? De unanieme beslissing van de Raad van Ministers van de Europese Unie om het samenwerkings- en associatieakkoord met Servië pas voor ratificatie voor te leggen als het land volledig samenwerkt met het Joegoslaviëtribunaal, is een toonbeeld van effectief beleid: Karadzic zit inmiddels in de Scheveningse gevangenis. Ook ik heb sindsdien verbeteringen in de Servische opstelling geconstateerd en ook ik vind dat we Servië daarvoor tegemoet mogen komen. Ik heb dan ook voorgesteld het visumregime te verruimen – juist om de jonge generatie Serviërs de kans te bieden kennis te maken met onze samenlevingen. Ook kunnen de gunstige handelspreferenties die de EU aan Servië verleent, wat mij betreft worden uitgebreid.

Maar verder wil ik niet gaan: ik zie geen aanleiding de bevriezing van het Interim Akkoord en de opschorting van de ratificatie van het samenwerkings- en associatieakkoord met Servië los te laten, zolang volledige samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal nog uitblijft. Het op een presenteerblaadje aanbieden van een Europees perspectief zal de gewenste hervormingen in Servië niet per definitie versnellen. Lagendijk zet hier de zaken echt op z’n kop: niet mijn mensenrechtenbeleid moet de Servische toenadering tot de EU versnellen, maar het Servisch mensenrechtenbeleid! Straffeloosheid voor oorlogsmisdaden valt niet te rijmen met de Europese waarden waarop ieder toetredingsperspectief gestoeld moet zijn. Maar ik heb me vaker verwonderd over Lagendijks toegeeflijkheid voor Servië, die ook niet wordt gesteund door zijn eigen partij.

Tot slot wil ik nog één suggestie wegnemen, namelijk dat alleen linkse politici geloofwaardige verdedigers van mensenrechten zouden kunnen zijn. Sinds mijn eerste stappen in de internationale politiek als Europarlementariër, nu twintig jaar geleden, zet ik me in voor mensenrechten. Mensenrechten zijn niet links of rechts. Het zijn waarden die er zijn voor iedereen, altijd en overal.

Maxime Verhagen is minister van Buitenlandse Zaken (CDA).

Lees het stuk van Lagendijk op nrc.nl/opinie.