De riolen moeten meer regenwater verwerken

Nederland warmt twee keer zo snel op als de rest van de wereld, bleek vorig jaar. Geen reden voor paniek. Het KNMI handhaaft de eigen scenario’s in een tussenbalans.

Het beeld van ir. Cornelis Lely (1854-1929) op de Afsluitdijk. Het KNMI verwacht een zeespiegelstijging van 35 tot 85 centimeter in 2100. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer De riolen moeten meer regenwater verwerken Klimaat Snelle stijging van temperatuur in Nederland blijft binnen scenario’s van KNMI Standbeeld van Lely op de Afsluitdijk Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080314

Het roer hoeft niet om. Wie de afgelopen jaren maatregelen heeft genomen en plannen heeft gemaakt om Nederland ‘klimaatbestendig’ te maken, kan daarmee doorgaan. Voorlopig. Er is niet ‘niks aan de hand’ en ook is er geen aanleiding om ineens dubbel zo hoge dijken te bouwen. Om maar iets te noemen.

Drie jaar geleden presenteerde het KNMI in De Bilt vier scenario’s voor klimaatverandering in Nederland. Dat wil zeggen „consistente en plausibele beelden van een mogelijk toekomstig klimaat”, aldus de onderzoekers.

De scenario’s verschillen in de mate waarin Nederland in 2050 zal zijn opgewarmd en de luchtstromingen zullen zijn veranderd. Maar in alle scenario’s zet de opwarming van Nederland door, worden de winters natter en blijft de zeespiegel stijgen.

Steeds vaker krijgt het KNMI echter de vraag of deze scenario’s nog wel bruikbaar zijn. Rijkswaterstaat, gemeenten, waterschappen en architecten willen weten of zij hun plannen voor bijvoorbeeld het verhogen van rivierdijken, het vergroten van de riolen of hittebestendige woningen kunnen blijven afstemmen op de scenario’s, of dat deze wellicht verouderd zijn.

Dat laatste zouden ze kunnen afleiden uit de stroom aan berichten over de klimaatverandering in de laatste jaren. Van berichten dat het allemaal reuze mee zal vallen en dat de klimaatcrisis berust op ‘bangmakerij’ tot berichten dat Amersfoort straks aan zee komt te liggen, zoals in de klimaatfilm van Al Gore. Veel onderzoeken geven aandacht aan één aspect van klimaatverandering, zoals over het afsmelten van de ijskappen. KNMI-onderzoeker Albert Klein Tank: „Er was behoefte aan een tussenbalans waarin al die onderzoeken in één visie voor Nederland worden beoordeeld. Daar zijn wij voor.”

Het KNMI komt vandaag met een geruststellende boodschap. De vier scenario’s zijn nog steeds geschikt om er beleid op te baseren. Nederland en West-Europa warmen weliswaar twee keer zo snel op als de rest van de wereld. De hevigheid van extreme buien neemt hier sterker toe dan drie jaar geleden werd verwacht. En uit internationaal onderzoek blijkt bovendien dat de grote ijskappen op West-Antarctica en Groenland snel afkalven met wellicht gevolgen voor Nederland. Maar toch blijven de scenario’s „volledig overeind”, aldus het KNMI. „De veranderingen vallen nog grotendeels binnen de marges van deze scenario’s.”

De relatief snelle stijging van temperatuur in Nederland blijft nog altijd binnen het scenario dat de gemiddelde temperatuur in 2050 twee graden Celsius hoger ligt dan in 1990. Een opwarming die onder deze twee graden blijft, wordt algemeen beschouwd als een verandering die nog goed het hoofd te bieden is. De snelle opwarming is bovendien verklaarbaar, aldus het KNMI, door een toename van westenwind in de winter, minder bewolking in de zomer en minder stofdeeltjes door een afname van luchtvervuiling.

Ook de dramatische verhalen van slinkende ijskappen zijn geen aanleiding de scenario’s weg te gooien, aldus het KNMI. De „kleinschalige, dynamische processen” die de ijskappen doen slinken, zoals lokale zeestromen, zijn volgens het vandaag verschenen rapport nog „onvoldoende begrepen” en zijn „nog nauwelijks gemodelleerd”. Daarom is het „lastig” om nieuwe scenario’s te maken waarin het effect hiervan voor de zeespiegelstijging is bepaald. Albert Klein Tank: „Het gaat soms om één kleine zeestroom die daar invloed op kan hebben. Onderzoekers weten er nog te weinig van.”

Maar hoe zat het ook weer met de Deltacommissie? Deze staatscommissie onder voorzitterschap van oud-minister Veerman stelde een jaar geleden dat de situatie „urgent” is, onder meer doordat de zeespiegelstijging „mogelijk groter dan verwacht” is. Die stijging was bedoeld als „plausibele bovengrens” om politici en andere bestuurders inzicht te geven in wat ze over honderd tot tweehonderd jaar in het ergste geval kunnen verwachten. Het KNMI daarentegen herhaalt nog maar eens, dat het zelf scenario’s hanteert die niet de maximaal mogelijke zeespiegelstijging beschrijven, maar de „meest waarschijnlijke” zeespiegelstijging. Dus niet 55 tot 120 centimeter maar ‘slechts’ 35 tot 85 centimeter in het jaar 2100.

De hevigheid van zomerse regenbuien neemt intussen ook toe. De hoeveelheid regen die per uur valt, zou zou wel eens groter kunnen zijn dan waarmee drie jaar geleden in enkele scenario’s rekening werd gehouden. Ook voor de kust langs de Noordzee zijn de inzichten gewijzigd. Naast „langdurige periodes met droogte” moet de kust ook rekening houden met kortere droogte met „extremere neerslag”. Geen reden om de scenario’s helemaal overboord te zetten. Maar wel reden om bijvoorbeeld steden hierop te attenderen. „Zodat ze daar rekening mee kunnen houden met bijvoorbeeld hun riolering”, zegt Albert Klein Tank.

De tussenbalans komt drie jaar na de publicatie van de scenario’s. Over nog eens vier jaar verschijnt vermoedelijk een nieuw rapport van het VN-klimaatpanel over klimaatverandering. Dat is het moment waarop het KNMI de eigen scenario’s opnieuw ter discussie stelt.

Lees de brochure van het KNMI op nrc.nl/binnenland