Bogotá by night in een rode broek

De afgelopen drie dagen ben ik door Rosa, hoofd administratie van het Dokters van de Wereld-kantoor in Bogotá, van overheidsinstantie naar overheidsinstantie gesleurd. Zes pasfoto’s, zeven handtekeningen, en afdrukken van alle tien mijn vingers, bleken nodig om de hier verplichte identiteitskaart te bemachtigen. Voor elke grote aankoop moet je die kaart laten zien, en opnieuw een vingerafdruk achterlaten. „Zodat ze je altijd kunnen traceren”, verklaart Rosa, terwijl we koffie drinken tegenover een half ingestort gebouw („één of andere aanslag”, aldus Rosa). „Let dus altijd op je woorden als je mailt of belt. Alles wordt afgetapt. En iedereen is corrupt.”

Na vier avonden op de bank naast Rosa kan ik geen Spaans nagesynchroniseerde Friends-aflevering meer zien. Morgen vlieg ik naar Choco, de jungleprovincie waar ik een half jaar ga werken. Dit is mijn laatste kans om Bogotá ‘by night’ te verkennen. „Mag ik even bellen?” Rosa kijkt verbaasd. „Eh… Iemand die ik in het vliegtuig heb ontmoet.” Ze vernauwt haar ogen. „Hij is homo, hoor”, verklaar ik snel. Haar blik verbetert niet. Mauricio is blij me te spreken. Hij heeft toevallig nog bedrijfskaartjes voor een fadoconcert in het Teatro Nacional. „Kleed je mooi aan. Over een half uur haal ik je op.” In mijn kamertje keer ik verontrust mijn rugzak om. Twee afritsbroeken met het prijskaartje er nog aan, zes glimmend witte T-shirts met het Dokters van de wereld-logo, Tefa-sandalen, zakmes, afgetrapte Puma-gympen, zonnebrand factor 50, drie flessen deet, zes dozen malariapillen. Niets dat ook maar in de buurt komt van het predicaat ‘mooi’. Dan ontdek ik op de bodem van mijn tas de rode broek. Na vijf jaar nog steeds niet vaal. De rode broek is mijn talisman. Hij heeft me door acht examens en drie sollicitatiegesprekken gesleept: netjes, maar toch stoer. Opgelucht trek ik hem aan. „Rosa?” Ik hou de mouw van mijn capuchontrui (inmiddels dag vier) onder haar neus. „Kan dit nog?” Ze trekt een vies gezicht, verdwijnt en keert terug met een glimmend zwart truitje. „Leen deze maar. En die schoenen…” Een misprijzende blik op mijn gympen. „Als je maat 37 hebt…” Dat heb ik niet. Buiten wordt al getoeterd. Mauricio zwaait vanuit zijn PC Hoofttractor. Op de achterbank lijkt half intellectueel Bogotá verzameld. „Iedereen wilde je ontmoeten”, verklaart Mauricio, „om je het echte Bogotá te laten zien. Wist je trouwens dat Bogotá elke week autoloze zondag heeft?” „En de beste medische klinieken van de wereld?” vult de tandarts naast me aan. „Dus als je nog wat wilt verbouwen: borsten, billen, oogleden…”

Misselijk van de wijn en de steak van 250 gram zit ik twee uur later ingeklemd tussen eindeloze rijen opgedofte Bogotarianen in het theater. Een klein vrouwtje loopt het podium op. Het is even helemaal stil. Dan galmt haar stem door de gigantische ruimte. Ik doe mijn ogen dicht en begin onwillekeurig te rillen. Indianen, oorlog, plastische chirurgie, jungle, wijn, vingerafdrukken, autoloze zondagen, , Argentijnse steaks en corruptie… Het lijkt allemaal samen te vloeien in deze kippenvelgevende, intense stem. „Hé, An!” Mauricio plukt aan mijn trui. „Hoe vind je het? Ik niet zo. Ik hou meer van rock. Guns N’ Roses bijvoorbeeld.” Hij tikt tegen mijn been. ‘Is dat trouwens een joggingbroek?’

Anne Hermans bundelde Achterpagina- columns in Het wittejaseffect, Podium.

    • Anne Hermans