Amerikaanse 'paranoia' irriteert Canadees

Canada en de VS zijn de laatste jaren anders gaan denken over hun gedeelde grens. De VS pleiten vooral voor veiligheid, Canada wil openheid en handel.

Vanaf de Peace Bridge tussen de Canadese provincie Ontario en de Amerikaanse staat New York doemt een toegangspoort op tot de Verenigde Staten. De grensovergang nabij de stad Buffalo, met meer dan tien banen voor auto’s en vrachtwagens, is een van de drukste douaneposten aan de Amerikaanse noordgrens. Met nog een meter of twintig te gaan voor de controle kom je als bezoeker vanuit Canada in Amerika’s vizier.

Verkeersborden en knipperlichten manen tot stoppen. ‘Alle voertuigen en personen kunnen worden onderworpen aan onderzoek bij toegang tot de VS’, staat op een bord. En: ‘Uw acties en gesprekken worden opgenomen.’ Camera’s registreren de nummerplaat, een scanner gaat na of de auto digitale identificatie bevat. Informatie over het voertuig en de eigenaar verschijnt op een scherm in het hokje van de douaneofficier, nog voordat er een woord is gezegd.

Bovendien beschikt elke baan over een radioactiviteitmeter, bedoeld om uranium voor bommen te onderscheppen – en gevoelig genoeg om vast te stellen of een passagier chemotherapie heeft ondergaan. Vrachtwagens worden gescand als bagage op een vliegveld. Officiers hebben cameraatjes om in benzinetanks te kijken. Bij het naderen van het douanehokje wordt de automobilist gefotografeerd, voorafgaand aan paspoortcontrole en ondervraging: „Waar komt u vandaan? Waar gaat u naartoe? Wat gaat u daar doen?”

De grens tussen de VS en Canada – traditioneel bekend als „de langste onbeveiligde grens ter wereld” – krijgt steeds meer het voorkomen van een vesting. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 hebben Amerikaanse politici de bijna 9.000 kilometer lange noordgrens van hun land aangemerkt als een zwakke schakel in de beveiliging tegen terreuraanslagen. De dagen dat de grens slechts een lijn was op de kaart, lijken daarmee geteld. „Het moet een echte grens worden”, aldus de Amerikaanse minister van Binnenlandse Veiligheid, Janet Napolitano, in maart.

Van een fysieke muur, zoals de VS die bouwen aan de grens met Mexico, is hier geen sprake. Maar vanuit Canada bezien wordt er wel een virtuele muur van technologie opgetrokken. De scanners en meters bij de grensposten zijn na ‘9/11’ in gebruik genomen. Langs delen van de grens in het binnenland, tussen North Dakota en Manitoba, wordt geëxperimenteerd met onbemande spionagevliegtuigen en bewegingssensoren. En het Amerikaanse douanepersoneel aan de noordgrens is sinds 2001 opgevoerd van 350 tot 1.600 nu. Critici spreken van een „militarisering van de grens”.

Pijnlijkst voor Canada is wellicht dat de noordgrens sinds kort een gekoesterd privilege kwijt is: in principe mag niemand er meer zonder paspoort overheen. Tot voor kort volstond een rijbewijs, of zelfs een mondelinge verklaring van nationaliteit, om vanuit Canada de VS binnen te rijden. Maar volgens het deze zomer van kracht geworden Western Hemisphere Travel Initiative, dat dateert uit het Bush-tijdperk, moet iedereen aan de noordgrens, net als bij andere toegangspunten tot de VS, beschikken over een geldig paspoort. Uitzonderingen worden gemaakt voor zogeheten paspoortkaarten en chipkaarten voor mensen die met grote regelmaat oversteken.

„De documentatie-eisen aan de noordgrens vormden een zwakte”, zegt officier Kevin Corsaro van de Amerikaanse Customs and Border Protection. Mensen konden vele verschillende geboortecertificaten laten zien, zegt hij – en het was lastig om de authenticiteit na te gaan. Als iedereen beschikt over een paspoort, dat vlot kan worden gescand, gaat het sneller. „Deze maatregel helpt om ons land veiliger te maken”, zegt Corsaro. „Onze missie is de oorlog tegen terreur, en de dreiging is aan de noordgrens niet minder dan aan de zuidgrens.”

In Canada, dat zichzelf beschouwt als de nauwste bondgenoot van Washington, wekt die opstelling huivering. Sinds 2001 bestaat er een markant accentverschil tussen de twee landen ten aanzien van hun grens: de VS denken bovenal aan veiligheid, Canada aan openheid en handel. De twee landen hebben de grootste bilaterale handelsrelatie ter wereld: dagelijks 1,6 miljard dollar aan goederen en diensten. Canada wil de grens zo open mogelijk houden, naar Europees model.

Een gezamenlijk beleid over wie Noord-Amerika binnenkomt, is geopperd – een buitengrens om het continent, die de binnengrenzen zou uitvagen – maar daar zit weinig schot in. Enerzijds komt dat doordat Canada zijn immigratie- en douanebeleid niet uit handen wil geven. Anderzijds door de Amerikaanse opvatting dat Canada te laks is in zijn toelatingsbeleid. Zo sluit Canada asielzoekers niet op, en kent het minder visumeisen. „Canada laat mensen toe die wij niet zouden toelaten”, stelde Napolitano onlangs. „Daarom hebben we een grens nodig, en controles die ergens op slaan.”

Reizigers aan de Canadese kant van de grens beoordelen de paspoortmaatregel verschillend. „Het deert mij niet, ik reis altijd met mijn paspoort”, zegt Jason McMullen uit Ontario, in de rij naar de VS. Ook Ryan Graham uit Californië vindt het een goed idee: „Het komt de veiligheid ten goede, en het gaat er hier ordentelijker toe dan aan de zuidgrens.” Anderen vinden dat legitiem verkeer wordt belemmerd – mede omdat slechts een op de vijf Amerikanen een paspoort bezit. Douglas Cameron uit Toronto vindt het „achterlijk”. Hij hekelt „het paranoïde en in zichzelf gekeerde wereldbeeld van de VS.”

Ook in grensgemeenschappen wordt de scherpere scheidslijn met lede ogen aangezien. De dorpen Stanstead in de Canadese provincie Québec en Derby Line in de Amerikaanse staat Vermont, bijvoorbeeld. Ze liggen aan elkaar vast, aan weerszijden van de grens. Enkele straten, zoals Lee Street, lopen van het ene land over in het andere. Je mag er tegenwoordig niet meer doorrijden. Een witte lijn geeft de scheiding aan, en er staan borden dat je je moet melden bij een douanepost. Aan Amerikaanse zijde gaat regelmatig een patrouillewagen voorbij.

Er wordt gesproken over een hek om de straten af te zetten, vertelt Raymond Yates, burgemeester van Stanstead, gelaten. Het enige wat hij kan doen is zorgen dat die stremming niet te ontsierend wordt. „Vroeger kwamen er meer Amerikanen bij ons, nu zien we er beduidend minder”, zegt hij, erop wijzend dat de twee dorpen gewend zijn te delen, van hun gezamenlijke watervoorziening tot een ijshockeycompetitie. „Het schaadt onze relaties met onze buren.”

Michel Cloutier, ober bij een restaurant aan de Canadese kant, is minder diplomatiek over de controles: „Het is stom.” De Amerikaanse douanebeambten „doen alles strikt volgens het boekje. Mensen komen niet meer over omdat ze de moeite niet willen doen. Ik werk hier vier jaar en het wordt almaar minder druk”, zegt hij. Statistieken bevestigen dit.

Een oude bibliotheek van Stanstead en Derby Line staat op de grens, met de voordeur in de VS en de boeken in Canada. Een lijn loopt over de vloer in de leeszaal, met vlaggen aan weerszijden – een symbool van de verwantschap tussen de twee landen. Bezoekers uit Stanstead mogen nog naar de ingang komen om boeken te halen, zegt bibliothecaresse Kathy Prue, een Canadese van geboorte die in Vermont woont. Maar als ze de straat willen oversteken, dan moeten ze zich tegenwoordig eerst melden bij een douanepost verderop. „Sinds 11 september is het allemaal veel strenger geworden,” zegt ze. „Toen dit pand begin vorige eeuw werd gebouwd, bestond de grens bijna niet. Nu zijn we aparte gemeenschappen geworden, in aparte landen.”