Waar komt het woord 'barbecue' vandaan?

„Met een prachtige week voor de boeg – zon en hoge temperaturen – heb ik de barbecue al klaar staan”, mailt Rob Lijesen uit Rotterdam. Maar waar komt het woord ‘barbecue’ eigenlijk vandaan? vraag hij zich af.

De oorsprong van barbecuen – zowel het woord als de activiteit – is enigszins obscuur. Toch zijn de meeste etymologen het erover eens dat het woord stamt uit de tijd van de grote ontdekkingsreizen. De Spanjaarden stuitten in het begin van de zestiende eeuw op het Taínovolk. Deze inheemse bewoners van het Caraïbisch gebied gebruikten een ‘barbacoa’, een grill om vlees mee roosteren. Barbacoa betekent in de taal van de Taïno ‘heilige vuurkuil’.

De Spaanse reizigers hebben het woord waarschijnlijk overgenomen en via hen is het ook in het Engels en Frans terechtgekomen. Zo meldt het vooraanstaande Oxford English Dictionary dat het woord voor het eerst in de Engelse taal opdook in 1697. Het werd gebruikt door de Britse avonturier William Dampier.

In het Nederlands dook het woord voor het eerst op in de beschrijvingen over de Verenigde Staten, schrijft taalkundige Ewoud Sanders in zijn rubriek Woordhoek in NRC Handelsblad. Zo staat in 1921 een uitvoerige beschrijving van een barbecue in de Nieuwe Rotterdamse Courant. „Een barbecue is een buitenpartij, waarbij een dier in zijn geheel ter plaatse wordt geroosterd en opgegeten. Het gebruik is ook in Engeland niet onbekend, maar droeg, zoals het ons werd vertoond, wel heel bijzonder een Amerikaans karakter.”

Volgens Sanders raakte het barbecuen in de jaren zestig in Nederland in de mode. In 1969 schreef Jan Wolkers in Turks Fruit hoe de moeder van Olga, zijn geliefde, geen huwelijksreceptie wilde houden in een gewoon restaurant omdat zij dit te gewoontjes vindt. Nee, zij wilde iets nieuws. Uit Turks Fruit: „Met een hele serie potten relish erbij in de mooiste braakkleuren. Daarom liep iedereen in de tuin met tranen in zijn ogen van de rook en de stank – want ze wist niet met het houtskool om te gaan en had het aangestoken door er een flinke scheut petroleum over te gieten – en met zo’n lappie vlees in zijn hand dat aan de ene kant op een halfverteerde rubber schoenzool leek terwijl aan de andere kant het bloed zich mengde met de paarse drukinkt van het keuringsstempel.”

Toon Beemsterboer

    • Toon Beemsterboer