Met een liedje van Sinatra maak ik vrienden

Hoe word je gelukkig in drie weken? Vandaag deel 2: doe iets.

Olga van Ditzhuijzen merkt dat ze een beetje gelukkiger wordt van vrijwilligerswerk.

Illustratie Bas van der Schot Met een liedje van Sinatra maak ik vrienden Redacteur Olga van Ditzhuijzen voelt zich goed door vrijwilligerswerk te doen in tweedehandswinkel Cabana Schot, Bas van der

Nergens gaat de tijd zo langzaam als in dit tweedehandswinkeltje. Hoe traag ik de stapel T-shirtjes ook sorteer, op volgorde van de regenboog, het lijkt te snel te gaan voor de minuten. Zou die belangrijke mail al binnen zijn? Had ik niet dat telefoontje moeten plegen? Niet aan denken, laat gaan. Draai de knop om.

Als ik luidkeels ‘Fly me to the moon’ inzet, kijkt in de koffieruimte een vaste bezoeker op van zijn krant. „Wat zing jij nou? Sinatra?” Ik knik. De bezoeker, die recent niet meer op straat woont, had me bij binnenkomst nog een kwade blik gestuurd: grom, wie ben jij nou weer. Nu kijk ik in een paar verbaasde ogen. Een glimlach begint. Hij zegt: „Dat heb ik vroeger nog gespeeld, op mijn gitaar.” Voilà, we zijn vrienden.

Het winkeltje Cabana, naast de katholieke kerk, is een oase van rust. Twee ochtenden per week open, en klanten zijn niet veeleisend: van elk kledingstuk is er immers maar één.

Maar Cabana is meer dan een tweedehandskledingwinkel. Het is opgezet door de stichting Kerk en Buurt, die sociaal werk doet in de Spaarndammerbuurt, een van de armste wijken in Amsterdam. Het meest verkocht is kinderkleding, voor 1 of 2 euro per stuk. Rommelig geklede mannen komen vaak voor schoenen (3 euro) of een winterjas (4 euro).

De hand van de etalagepop is met tape gerepareerd. Aan brokkelige vingers bungelt een rood damestasje, passend bij het vastgespelde twinsetje.

Maar in de winkel is koffie misschien wel het belangrijkste element. Cabana bedient de wat meer ‘onhandige’ mensen in de maatschappij.

Niet alleen de klanten, ook een deel van de vrijwillige medewerkers is bijzonder. Voor sommigen is het problematisch om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Doordat ze bijvoorbeeld een psychiatrische achtergrond hebben, of drugsverslaafd zijn geweest, of om andere redenen een alternatief werktraject nodig hebben. In Cabana is het leven overzichtelijk, eenvoudig, met een snufje geluk. En gezelligheid.

Een oudere buurtbewoner komt elke week even langs. Bijna altijd koopt hij iets. Hier, vindt-ie weer een stapel spierwitte slips in een la. „Hoeveel zijn die?”, vraagt hij. Vijftig cent, een buitenkansje.

Soms blijft hij wel een uur om alle rekken uit te kammen. Eén kopje koffie dan, vooruit. „Het zijn toch zakkenvullers hè, die lui in Den Haag”, moppert hij, steevast. Kom kom, zegt de kerk- en buurtwerker. „Neem nog lekker een schepje suiker in de koffie.”

Een hokje met aan twee kanten ramen vormt het centrum van Cabana. Er staat een tafel met vrolijk tafelkleedje, een volle thermoskan en kopjes. Een tweede kopje koffie kost 25 cent, „anders blijven sommige mensen wel heel erg lang hangen”, zegt Giovanni Masetti (33). Hij is die kerk- en buurtwerker, één dag in de week. Verder werkt hij in deeltijd als conducteur bij de NS, en studeert voor diaken aan een katholiek seminarie. Masetti bezit een engelengeduld. In de oude volksbuurt moet hij een hoop geklaag aanhoren, maar voor iedereen blijft hij een glimlach produceren.

Hij weet zeker dat het verschil maakt: „Knoop eens een praatje aan, en méén het dan ook. Wees oprecht. Niet van: hoe is het, ja goed. Luister eens écht als iemand je wat vertelt.” Hij ziet dat dat steeds moeilijker wordt, in de „huidige maatschappij”. „Mensen hebben geen tijd om iets te betekenen voor anderen. Ze denken: die zal wel door een ander worden opgevangen.”

In Cabana komen buurtbewoners en paradijsvogels. Om bij te praten, of even gehoord te worden. De gesprekken, of monologen, gaan vaak over politiek en de uitkeringsinstanties. Of over vroeger, toen alles beter was.

Sommige klanten komen met schrikbarende verhalen. Dan is gas en licht ‘opeens’ afgesloten, of moeten duizenden euro’s aan uitkering worden terugbetaald.

Soms komt iemand een zak kleren brengen. Die sorteren we netjes: Schoenen in de schappen, ondergoed in de laden. Jurken en overhemden gerangschikt op kleur. Eventjes is de eindeloze koffiepauze voorbij.

Eigenlijk hoeft er in Cabana niks, maar er is altijd wat te doen. En anders wordt wel wat verzonnen. De etalage moet veranderd, of de kleerhangers vervangen. De ladekast eens uitmesten. Plannen maken voor Pasen, Kerst of Koninginnedag. Als de winkel dicht gaat, om één uur, eten we aan tafel een boterham. Hoe zit het trouwens daarmee, heeft iemand al boodschappen gehaald?

Vrijwilligerswerk doen veel mensen om er zélf een beetje gelukkig van te worden. Geven is belangrijker dan ontvangen, zeg maar. Dat is niet erg, zegt Masetti. En ja, hij krijgt er zelf ook wel een goed gevoel van. „Sommige medewerkers hier zie je echt opknappen, doordat ze structuur in hun dag krijgen. Dan ben ik blij.”

Maar soms verbaast hij zich wel. Dan wil een groot kantoor eens per jaar ‘iets goeds’ doen, bijvoorbeeld een dag langs komen om de muren te verven. Masetti zou ze liever een middagje met een dakloze zien praten, of met een dementerende dame.

Maar dat willen de kantoormensen niet, geen sprake van. Ze willen de handen uit de mouwen steken, iets doen. Terwijl juist dat kwartiertje interesse tonen, onbetaalbaar is.

„Een beetje lief zijn voor elkaar”, zegt Masetti, „daar draait het uiteindelijk om.”

    • Olga van Ditzhuijzen