Meer dan een tuin in een dood landschap

Koeien, ganzen, kippen komen terug, er is een grote moestuin, een boomgaard, een weide. Sissinghurst is weer wat het eens was. Het verzet tegen het eerherstel is gebroken. Er is alleen nog een staartje vijandigheid.

Uitzicht op het landgoed vanaf de elizabethaanse toren. The view from the Elizabethan Tower at Sissinghurst Castle looking north, north west over the front range, restaurant and oast-houses in June. A new project aims to reconnect the garden at Sissinghurst with the surrounding farm landscape, by creating a vegetable garden to supply the restaurant with organic produce and re-establishing the farmland as a mixed Wealden farm, such as would have existed in 1930 when the property was bought by Vita sackville-West and Harold Nicolson. NTPL

Parkeer maar bij het bordje Niet Parkeren en dan vind je ons achter de heg. Zo heeft Adam Nicolson (52) de toegang tot zijn huis, de familievleugel van het landgoed Sissinghurst, in Kent, zuidoost Engeland, beschreven. De derde generatie Nicolsons trok bijna vijf jaar geleden in het huis waarin hij als kleine jongen was opgegroeid. Vertrouwd en toch totaal veranderd.

Adams grootouders, de schrijfster Vita Sackville West en de politicus Harold Nicolson, woonden er, sinds 1930. Zij ontwierpen de beroemd geworden tuinen. En zijn vader, Nigel Nicolson, die het huwelijk van zijn biseksuele grootouders beschreef in Portrait of a Marriage, woonde er, totdat hij in 2004 overleed. De tuin trekt nog steeds bezoekers van over de hele wereld, meer dan zich verdraagt met het voortbestaan ervan. De resten van het kasteel, de boerderij en de landerijen waren al in de jaren zestig overgegaan in handen van The National Trust, de Britse natuurmonumentenzorg. Eén vleugel van het kasteel bleef ‘in eeuwigheid’ beschikbaar voor de familie.

Achteraf gezien lijkt het onvermijdelijk dat de wereld van de National Trust, met zijn comités van koppige prominenten, zou botsen met die van de jongste Nicolson. Hij zag van meet af aan niets in een Sissinghurst dat, „alsof je in een theaterproductie stapte”, alleen maar decor lag te wezen in een landschap dat eens een connectie had gehad met het huis en met de mensen die in de omgeving daarvan leefden.

Vier jaar vechten, vergaderen („ik heb nog nooit zo veel om vergadertafels gezeten’’) en vier jaar incasseren van vijandelijkheden later, is de National Trust eindelijk om. Niet langer zullen de landerijen om het huis en de befaamde tuin onvruchtbaar en „elk jaar dood gespoten met onkruidverdelger” improductief liggen te vegeteren, als „,behang achter een toeristenattractie”. In plaats daarvan worden ze weer productief gemaakt en de opbrengst gaat Sissinghurst letterlijk en financieel voeden.

„Geen flauwekul landbouw”, zegt Nicolson, „maar commercieel haalbare praktijken. Er komen hier 115.000 mensen per jaar in het restaurant. Verbouw wat ze er te eten te krijgen. Grow lunch!”

De National Trust zag hem aanvankelijk aankomen. Niet alleen het regionale bestuur, dat aanvoelde dat bewoning van zijn eigendom door een „donorfamilie” meer status verleent aan zijn bezit. Maar er waren ook nog de ruim 200 man personeel, die Sissinghurst na zoveel jaar als hun eigendom beschouwen, de restaurant-kok voorop, en die aan inmenging van voormalige eigenaars geen enkele behoefte hebben. Inmenging die dan ook door het bestuur als last werd gezien.

„Ik moet natuurlijk toch voorzichtig zijn met wat ik daarover vertel”, zegt hij. We zitten aan de keukentafel in een ruimte die van een somber vrijgezellenverblijf (van Adams vader, die scheidde in 1970) is omgetoverd in een aangenaam familievertrek. Veel lampen, veel bloemen en de geur van koffie en geroosterd brood. „Het voelt inmiddels toch weer als een voorrecht om hier te mogen wonen”, zegt Adam Nicolson.

Toen hij de vleugel met zijn gezin betrok, confronteerde de National Trust de familie meteen met een lijst verboden, van niet parkeren met de uitlaat naar de taxushagen, tot geen honden op het gras toe. Toen hij suggesties deed om Sissinghurst weer een zichzelf bedruipend bedrijf te maken, geworteld in het landschap van het Weald of Kent waaruit het voortspruit, waren er afwijzende reacties. ‘Je denkt zeker dat je hier een beetje de baas kunt komen spelen, Adam?’ was nog een van de minst kwetsende opmerkingen die hem werden toegevoegd. Nu zegt hij: „Er was op geen enkele manier het gevoel dat mijn familie ook maar iets met Sissinghurst van doen had.”

Nicolson staat bekend als een beminnelijk persoon, als schrijver en journalist. De BBC maakte een documentaire over zijn pogingen Sissinghurst weer een levend bedrijf te maken, meer dan „een tuin met een parkeerplaats in een dood landschap”.

En nu? Koeien, ganzen, kippen komen terug, een grote moestuin is aangelegd en honderden landgoedkampeerders uit Duitsland en Nederland hebben in de afgelopen maanden 1 kilometer heggen geplant die de landerijen onderverdelen naar oud patroon. Er is een boomgaard aangelegd met appels en peren en pruimen en Kentse notebomen, en een wild stuk bos met een moerassige plek, waar als vanouds nachtegalen zullen zingen.

En langs de beek is een weide, die gehooid gaat worden. Dit alles grenzend aan de landerijen van een boer, die dit voorjaar zijn velden vol koolzaad had staan – dat in containerschepen verscheept gaat worden naar Dubai, als grondstof voor chapati’s die naar India gaan. „Hoe idioot is dát?” zegt Adam Nicholson.

De Nicolsons hebben op papier vijf jaar de tijd gekregen om te zien of hun experiment – de National Trust spreekt van een „omkeerbaar” proces – werkt, maar Adam Nicolson twijfelt niet aan de haalbaarheid van zijn opzet, praktisch en financieel.

Hij kan zijn geestdrift niet op. „De National Trust heeft de merknaam Sissinghurst Castle Farm al geregistreerd. Alles wat we hier nodig hebben zijn ondernemers die betalen om die naam uit te buiten, met kwalitatief hoogwaardige producten. We kunnen hier alles verbouwen, van biefstuk tot honing. Kijk naar Chatsworth, in Derbyshire, waar de Duchess of Devonshire op dezelfde manier voor een omzet van vele miljoenen heeft gezorgd. Tien ton vruchtencake per jaar. Wat wij hier willen doen, is niet sentimenteel ouderwets. Het is het bedienen van een nichemarkt, die mensen die niet hun producten willen van grond die alleen vruchtbaar gemaakt kan worden door een zak kunstmest alleen, maar die die andere, natuurlijke vorm van landbouw willen zien terugkomen. Dat is juist erg van deze tijd. En financieel gezien: het is niet alleen grow lunch, het is ook mensen laten betalen voor het soort landschap dat ze graag willen zien. Ik ben ervan overtuigd dat de top van de National Trust dat inmiddels ook door heeft.”

We lopen naar de moestuin, in de vroege zomer niet veel meer dan een kaal stuk akker met groene sprieten en wigwams van bonestaken. Nu vol eetbaar gewas. De bloementuin zelf, met zijn vele ‘kamers’ en zijn spectaculaire kleurenschema’s, is deze dag gesloten. Toch lopen er bezoekers rond, die Adam Nicolson – het sprekend evenbeeld van zijn beroemde grootmoeder – meteen herkennen. En aanspreken: „Veel succes, Sir! Ik heb u op televisie gezien! Hoe is het met de restaurant-kok?”

Het is moeilijk om hier ook nog een beetje een privéleven te hebben, zegt Nicolson. „Dat is soms lastig. Mijn gevoelens voor dit oord hebben elkaar in verschillende fasen van mijn leven afgewisseld: liefde, wrok, angst, verslagenheid… Ik ben razend op mijn vader geweest, zoals hij met Sissinghurst is omgesprongen door alles te laten zoals het was. Nu ben ik door hem vertederd. Hij deed ook zijn best, net als ik.”

In het boek dat Adam Nicolson inmiddels heeft geschreven over Sissinghurst noemt hij het: „Overgeërfde tuincultuur met een lesbo-aristocratisch laagje, gepaard aan een landelijke rustbestemming met café en gift shop.”

Nu zegt hij: „Mijn vader dacht in zijn tijd dat het beste was om het te verkopen aan de National Trust om zo een Sissinghurst à la de jaren dertig te laten overleven. Ik leg andere criteria aan. Sissinghurst is niet een decor, het is onderdeel van een landelijke gemeenschap, door de eeuwen heen altijd geweest. Dat terugbrengen is mijn streven. Ook al is de restaurant-kok er nog steeds en ook al wil hij nog steeds niet luisteren.”

    • Hieke Jippes