Het menselijk lichaam was hem genoeg

Elke beweging kon dans zijn. Choreograaf Merce Cunningham is een van de grote balletvernieuwers van de twintigste eeuw.

Cunningham in 2005 op het podium van de Opera in Parijs. Foto AFP (FILES) US choreographer Merce Cunningham salutes the crowd on stage after the presentation of his latest show at Paris' Opera in this January 6, 2005 file photo including a new contemporary dance choreography called "Views on stage". Merce Cunningham, the legendary New York-based choreographer who revolutionized modern dance, has died at age 90, his foundation said July 27, 2009. "It is with great sorrow that we note the passing of Merce Cunningham, who died peacefully in his home last night of natural causes," the Cunningham Dance Foundation and the Merce Cunningham Dance Company said in a statement. AFP PHOTO/GABRIEL BOUYS AFP

Merce Cunningham bracht de laatste jaren veel tijd door in een rolstoel. Zijn broze, door artritis geteisterde lichaam was op. Maar de Amerikaanse choreograaf en balletvernieuwer wílde nog wel. Toen hij enkel nog zijn voeten kon gebruiken, ontdekte hij opnieuw de tapdans, zijn oude liefde. Dansen, zelf dansen, was hem minstens zo lief als de kunst van het choreograferen, die hij in de vorige eeuw grondig door elkaar schudde.

Merce Cunningham is zondagnacht op 90-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats New York. „Dans is een spirituele oefening in fysieke vorm” is een van de aforismen van Cunningham. Tot op hoge leeftijd sloot hij zich dagelijks in de studio op voor een privé warming-up op hiphopmuziek. Ook gaf hij nog geregeld les aan zijn Merce Cunningham Dance Company. In april ging zijn laatste werk in première: Nearly Ninety. Zijn laatste optredens volbracht hij in 1999, toen hij als tachtigjarige een duet danste met balletster Mikhail Baryshnikov en voor de camera verscheen in een solo met de toepasselijke titel Just Dancing.

Dansen, meer niet. Dat was genoeg voor Cunningham, die naast Martha Graham en George Balanchine de belangrijkste vernieuwer van de twintigste-eeuwse dans is. Dansers hoefden voor Cunningham niets of niemand uit te beelden; ze hoefden alleen te laten zien welke mogelijkheden het lichaam in zich bergt. Dat was de kern van zijn anarchistische credo. Dans gaat primair over het menselijk lichaam en zijn bewegingen. Alle soorten bewegingen konden in elke gewenste combinatie worden gebruikt en geordend, elke ruimte kon als dansruimte fungeren. En iedere danser kon als solist optreden. De dans werd een autonoom deel van de voorstelling naast muziek en vormgeving.

Die ‘democratische’ benadering is wellicht terug te voeren op Cunninghams kennismaking met de dans. Als tiener kreeg hij tap- en ballroomles van vaudeville-artieste Maud Barrett, die ook jongleerde en soms op haar handen lopend met het publiek converseerde. Op het toneel, begreep de jonge Merce, was alles mogelijk.

Tijdens zijn dansopleiding in Seattle in 1937 ontmoette Mercier Philip Cunningham (1919, Centralia, Washington) de minimalistische componist John Cage, die daar de danslessen begeleidde op piano. Cage zou tot zijn dood in 1992 Cunninghams geliefde en artistieke partner blijven.

Bij het gezelschap van Martha Graham verwierf Cunningham tussen 1939 en 1945 zijn eerste roem, als getalenteerd vertolker van Grahams ‘gedanste psychodrama’s’. Aangemoedigd door Cage begon hij zijn eigen stukken te creëren. Aanvankelijk waren zijn choreografieën nog licht narratief en gezet op bestaande muziek, maar al snel liet hij verhaallijn en logische opbouw los. In 1952 kwam zo de legendarische ‘oer-happening’ aan het Black Mountain College tot stand, waaraan naast Cunningham en Cage onder anderen de schilder Robert Rauschenberg meewerkte. Rauschenberg zou tot zijn dood begin 2008 nog vele decors voor Cunningham ontwerpen, net als bijvoorbeeld Jasper Johns en Charles Atlas.

De methode van Cunningham en Cage om geheel los van elkaar tot choreografie en compositie te komen was invloedrijk en revolutionair. Dans en muziek werden zo volledig losgekoppeld, om tijdens de première ‘per toeval’ alsnog samen te komen. Hetzelfde gold voor de decors.

In de jaren vijftig bruiste New York van de creatieve energie. In de beeldende kunst kwam het abstract expressionisme op en ook in de muziek werden nieuwe wegen ingeslagen. Cunningham was in zijn element. In die periode ontdekte hij ook de I Tjing. Met Cage als leidsman begon de choreograaf de 64 hexagrammen uit het Chinese ‘boek der veranderingen’ te gebruiken voor de compositie van dansstukken. Zodoende bevrijdde hij de choreografie van de subjectieve keuzes van de maker en liet hij onverwachte, niet voor de hand liggende combinaties toe. Ook andere ‘aleatorische’ procedures gebruikte hij in het creatieve proces: het gooien van dobbelstenen kon de volgorde in een programma, de delen van een choreografie of zelfs de passen bepalen.

Cunninghams nieuwlichterij sloeg niet meteen aan. Soms had zijn in 1953 opgerichte Merce Cunningham Dance Company maar één of twee optredens per jaar. Het publiek wist zich vaak geen raad met die kurkdroge ‘dans over dans’. Die was weliswaar helder en elegant, zoals Suite for Five (1955) en Summerspace (1958), of absurdistisch en ironisch, zoals Antic Meet (1958), maar ontoegankelijk. Niet in de laatste plaats door het gebruik van avant-gardistische muziek van Cage, David Tudor, Morton Feldman en Christian Wolff. In Londen werd Cunninghams originele talent in 1964 onmiddellijk herkend, waarna choreograaf en gezelschap een begrip werden in de internationale danswereld. Sindsdien ontving hij talrijke internationale onderscheidingen en in 2000 werd hij officieel tot ‘Levende Legende’ benoemd door de Library of Congress in Washington DC.

Intussen was Cunninghams gedachtegoed overgenomen door een groep jonge choreografen die in de New Yorkse Judson Church concerts of dance organiseerden. Alle heilige huisjes van het (dans-) theater sneuvelden. Niet alleen kon elke beweging als ‘dans’ worden gezien; ook ieder mens zou danser kunnen zijn – techniek werd niet meer noodzakelijk geacht. De postmoderne dans was geboren. Cunningham vervolgde zijn eigen weg en bleef werken aan de ontwikkeling van een typische, weerbarstige bewegingsstijl, vol plotse wendingen, kleine sprongetjes, torso tilts, langzame balanstransities en verrassende ruimtelijke patronen. De blijmoedige energie van dansers die doelgericht hun parcours over het toneel aflegden, was volgens de choreograaf geïnspireerd op het gekrioel in de straten van New York. Ook de natuur inspireerde hem, wat is zien aan titels als Winterbranch (1964), Beach Birds (1991) en Ocean (1994).

Cunningham was een van de eersten die de computer als compositorisch hulpmiddel gebruikten. Met de computerprogramma’s LifeForms (nu DanceForms) en MotionCapture ontdekte hij nieuwe mogelijkheden, wat in 1999 resulteerde in het late meesterwerk BIPED.

In de eenentwintigste eeuw maakte de choreograaf, die bijna tweehonderd werken op zijn naam heeft staan, nog zeven choreografieën. In de voorlaatste, eyeSpace (2006), bood hij de toeschouwer de gelegenheid zelf de muziek te kiezen via zijn iPod. Nog altijd zocht Cunningham naar manieren om de dans van een nieuwe context te voorzien, zoals hij zei in een interview in 2002. „Het is heel simpel. Voor de meeste mensen is het waarschijnlijk absurd. Maar ik vind dansen echt geweldig. Ik kan het niet meer. Maar ik ben nog wel in staat er telkens iets nieuws over te ontdekken.”

Beelden en teksten over Cunningham op nrc.nl/kunst