Turkije is dubbelhartig over Israël

Ankara reageerde scherp op het Israëlische optreden in Gaza, maar het hecht ook aan de goede band. „Geld kent geen godsdienst, ras of nationaliteit.”

Er waren zomers waarin de voertaal in de lobby van dit hotel in het zuiden van Turkije Hebreeuws was. Israëliërs houden van Antalya. Dichtbij huis, geen gedoe. Nu zit er een stel op het witte leer, te wachten op de bus terug naar Tel Aviv. „Behalve het middagje naar de bazaar zijn we het hotel niet uitgeweest”, zegt Izhar Gilad, zes dagen Antalya achter de rug. „De meeste vrienden durfden dit jaar niet eens te komen. Hoe vaak we ook zeiden dat de Turken nog steeds heel gastvrij zijn.”

De dreigtelefoontjes naar het Israëlische consulaat in Istanbul en de ambassade in Ankara zijn gestopt. De dreigementen van een boycot tegen alle Israëlische producten in Turkije zijn verstomd. De reusachtige Palestijnse vlaggen die maandenlang in de steegjes van Istanbul wapperden, zijn verdwenen.

Maar de ooit zo warme banden tussen Israël en Turkije zijn nog steeds niet hersteld sinds het grote Israëlische offensief in Gaza begin dit jaar. De woede-uitbarsting van de Turkse premier Erdogan tijdens een debat over dat offensief met president Peres op het World Economic Forum in Davos twee weken later is niet vergeten. De herinnering aan de Turkse beschuldigingen van Israëlische „barbaarsheid” en „misdaden tegen de menselijkheid” ligt nog vers in het geheugen. Net als het Israëlische verweer dat de Turken met hun Koerdische en Armeense vijanden door de jaren heen niet veel beter omgingen.

Een half jaar later en met een hete zomer zijn Israëlische toeristen vastbesloten weg te blijven uit Turkije. Voor Israëliërs was Turkije voorheen vakantiebestemming nummer één. Dit jaar worden zeker 65 procent minder Israëlische bezoekers verwacht, klagen de reisbureaus.

Aan de Turkse zuidkust zagen de restauranthouders aanzienlijk minder Israëlische cruiseschepen aanmeren. „En zelfs als ze wel komen, blijven ze meestal liever aan boord”, zegt Izhar Gilad. „Ik vind dat een beetje aanstellerig. Ik loop nooit met mijn afkomst te koop in het buitenland. Maar met een beetje voorzichtigheid kun je toch gewoon overal over straat?”

Toch krijgt het zwaar bewaakte consulaat van Israël in Istanbul tegenwoordig aan weinig Israëlische investeerders uitgelegd dat ondanks de retoriek van de Turkse regering dit land nog steeds een veilige belegging is. „Het helpt natuurlijk niet dat de Turkse regering ons als een satan blijft afschilderen in het parlement”, zegt de consul voor economische zaken, Doron Abrahimi.

Begin dit jaar had Abrahimi slapeloze nachten bij het zien van brandende Israëlische vlaggen in Turkije. Dit was het eerste moslimland dat de joodse staat kort na oprichting erkende, een strategische partner in een vijandige regio. „Maar nu lijkt het alsof we een land zijn van 150 miljoen inwoners of meer, zo groot wordt het gevaar Israël hier soms afgeschilderd.”

Vorige maand was het opnieuw raak in het parlement, tijdens een debat over het opruimen van de naar schatting 650.000 landmijnen aan de grens met Syrië. De oppositie beschuldigde premier Erdogan in dat debat van de ‘uitverkoop’ van Turks land aan Israëlische veiligheidsbedrijven. Volgens een wetsvoorstel mogen buitenlandse bedrijven de grensstrook van meer dan 500 kilometer lang voor een periode van 44 jaar huren om de landmijnen te ruimen. Volgens de nationalistische oppositie zouden Israëlische bedrijven de contracten voor de klus al hebben binnengesleept. De premier ontkende dat, en deed zijn best om zijn anti-Israëlische imago waarmee hij na Davos zijn kiezers en de Arabische wereld inpalmde, te redden. „We staan in dit land nog steeds voor dezelfde principes als in Davos”, zei Erdogan. Vriendschap met Israël is een scheldwoord geworden in de Turkse politiek.

De Israëliërs beseffen dat veel van de grote woorden horen bij het spel van de regerende AK-partij, die in 2002 aan de macht kwam als de vertegenwoordiger van de normen en waarden van vrome moslims. Die AK-partij ontving wel Hamas-leider Khaled Meshaal drie jaar geleden, terwijl de hele westerse wereld officieel contacten met die Palestijnse beweging weigert. Onder diezelfde AK-partij gingen de Israëlische wapenverkopen aan het Turkse leger onverminderd door. En onder diezelfde AK-partij groeide ook de handel tussen Turkije en Israël van 300 miljoen dollar in 2000 naar 4 miljard dollar vorig jaar.

„Uiteindelijk is dat wat telt, dat weet ik”, zegt consul Abrahimi. Hij hoorde Erdogan in hetzelfde debat over de landmijnen een zin uitspreken die de filosofie van zijn partij misschien wel meer tekent dan het ondiplomatieke gedrag in Davos. „Geld kent geen godsdienst, ras of nationaliteit”, sprak de premier. „Geld is als kwik. Het vloeit waar het grond vindt.”

Dit dubbelspel van hun regering kunnen Turkse handelsreizigers naar Israël maar moeilijk uitleggen. „Alle Turken wisten al dat Erdogan een politicus met temperament is. Nu weten de Israëliërs het ook. Ze zijn er veel harder van geschrokken dan nodig is. Ik geloof nog steeds niet dat er serieuze ideologische verschillen zijn tussen Turkije en Israël”, zegt de Turkse professor Guven Sak van het Economic Policy Research Institute TEPAV.

Zijn instituut probeert Israëlische, Palestijnse en Turkse zakenmensen bij elkaar te brengen in de hoop het vredesproces te steunen. De laatste maanden werden zijn werknemers vaker en langer dan normaal opgehouden bij de Israëlische grens. „Dat is althans wat we meenden. Maar het kan natuurlijk ook onze eigen perceptie zijn: ze zullen ons wel tegenhouden wegens Erdogan. Wie zal het zeggen?”

Veel tijd om de slechte sfeer na Davos door te laten sudderen is er niet. De Amerikaanse president Obama zint op een actieve rol van Turkije in het Midden-Oosten. Als mogelijke onderhandelaar tussen de Palestijnen en Israël, maar zeker als bruggenhoofd tussen Syrië en Israël. „Ze praten al lang met elkaar”, verzekert de Israëlische consul. „Ook al denkt de man in de straat iets heel anders.” En geen politicus heeft er baat bij om nu aan de grote klok te hangen dat er in de relatie tussen Turkije en Israël in de afgelopen zestig jaar weinig is veranderd.