Meelopers zonder Lonsdale

In Winschoten vond een geslaagd project plaats tegen radicalisering van rechts-extreme ‘meelopers’. Nieuwe meelopers en mensen van de harde kern blijven in beeld.

Een rechtsradicale meeloper uit Winschoten droeg een groot T-shirt met een Duitse helm erop. Jeugdagent Ronald Pietersma zocht hem thuis op. „Je bent in de picture bij de politie”, zei ik. „Je oude vrienden willen niet meer met je omgaan. Je isoleert jezelf. Hoe zie je je toekomst?”

De ouders van de jongen waren „des duivels” dat hun zoon omging met rechtsradicale Lonsdalers. Een ander trof Pietersma in een kroegje. „Willen je nou echt een Nederland met alleen maar blanken? Nee, dat niet, maar wat hij wel wilde kon hij niet uitleggen.”

Een meisje van veertien, dat omging met de rechtsradicale groep, liep met een groot mes op zak. Pietersma: „Ze zei dat ze bang was voor buitenlanders. Ze ontkende de holocaust. Misschien was ze verrast dat ik er zo fel op was. Er ging in elk geval iets bij haar spelen.”

Een kwart van de jongeren in de Groningse stad Winschoten heeft xenofoob gedachtengoed, bleek uit een onderzoek uit 2006. Na een aantal geweldsincidenten met rechtsradicalen zette de gemeente in samenwerking met de politie, jongerenwerk, onderwijs, de Anne Frankstichting en het Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling Forum in 2007 een ‘deradicaliseringsproject’ op. Doel ervan was het tegengaan van toenemende overlast en gewelddadigheden van minimaal twintig rechtsradicale ‘meelopers’ en het ‘deradicaliseren’ van minstens de helft van hen.

Uiteindelijk werden 22 jongeren aangesproken die zich ophielden in rechtse kringen: 21 jongens en een meisje tussen de achttien en 22 jaar. Vijftien van hen werden losgeweekt uit hun rechtsradicale omgeving. Zij dragen geen kleding meer met rechtsextremistische kenmerken (zoals Lonsdale) en hebben evenmin contacten meer met hun rechtse vriendengroep. „Met driekwart zijn we tevreden”, vertelt projectleider Adrie de Wit van de gemeente Winschoten. „De overlast is verdwenen.”

Overlast was er in Winschoten volop. Er waren zo’n veertig jongeren die zich ‘White Power’ noemden. De maat was vol voor de gemeente, toen een aantal van hen uitgedost met nazistische vlaggen op 4 mei 2005 tegen het joodse monument plaste, tot grote woede van omstanders. Een stroom aan geweldsdelicten ging daaraan vooraf. Twee jaar geleden waren er ook confrontaties tussen rechts-radicalen en asielzoekers. Behalve White Power bestond er in Winschoten ook een vrij grote Blood&Honour-groep, een internationale organisatie van nazistische skinheads.

De jongere meelopers werden actief benaderd, door een agent, leraar, jongerenwerker of voetbaltrainer. Gesprekken vormden de basis, licht De Wit toe: „We spraken jongeren aan: we maken ons zorgen over je toekomst. Hoe zie je die? Je maakt afspraken: als jij zes maanden niet met die rechtsradicalen omgaat, helpen wij je bij het vinden van een baan, een woning, een stageadres of bij schuldsanering.”

Want problemen zijn er vrijwel altijd. Van de rechtsradicale jongeren leeft 99 procent thuis onder matige omstandigheden, weet projectleider De Wit van de gemeente. „Ze hebben een slecht zelfbeeld, psychische problemen en een beperkt intellect. Als ze bij Blood& Honour komen krijgen ze een biertje en een joint en hebben ze ineens een grote groep vrienden die voor hen door het vuur gaat. Het paramilitaire trekt zwakke broeders aan. Na een paar jaar keert hun omgeving ze de rug toe. Het zijn immers nazi’s.” Het is moeilijk voor deze jongeren om de groep op eigen kracht de rug toe te keren”, aldus De Wit. „Wij geven ze een extra zetje.”

Thomas is één van de losgeweekte „aanplakkers”, zoals jeugdagent Pietersma hen noemt. Thomas is een jongen met probleemgedrag die zich aansloot bij Blood& Honour. Hij kreeg hulp bij zijn financiële problemen en bij het opbouwen van een nieuwe vriendenkring. Ook begon hij met een nieuwe schoolopleiding. Met Blood& Honour verbrak hij alle contacten. Een andere jongen met wie gesprekken zijn gevoerd heeft nog wel extreemrechtse opvattingen, maar draagt geen kleding meer waaruit dit valt op te maken. Op negen jongeren hadden de gesprekken een positieve of enige invloed.

Niet in alle gevallen is derhalve vast te stellen of de jongeren de groep verlieten dankzij het project, geeft projectleider De Wit toe. „Het is soms een kip en ei-verhaal. Er was een jongen die een bruine vriendin kreeg. Was dat omdat hij al ‘gederadicaliseerd’ was? Of kreeg hij verkering en paste hij daardoor niet meer in de rechtsextreme groep?” Bovendien verzwakte de groep door onderlinge tweespalt.

Toch is de Winschoter aanpak volgens de gemeente succesvol gebleken. „Dankzij het feit dat we een kleine gemeente zijn (17.500 inwoners red.) en politie, gemeente en jongerenwerk elkaar kennen en de lijnen kort zijn”, stelt De Wit. Het project maakt intussen standaard deel uit van het Winschoter jeugdbeleid. Want rechtsradicalen zijn er nog wel. Op een informatieavond over een asielzoekerscentrum waren drie maanden geleden 25 rechts-extremisten aanwezig. De Wit: „Ze kwamen in vol ornaat met hun zwarte pakken aan binnen.” Als insprekers gedroegen ze zich netjes volgens hem. „We vinden het niet leuk dat ze er zijn, maar ze veroorzaakten geen overlast.”

De gemeente Winschoten wil zich de komende tijd meer op de harde kern richten. De Wit: „We praten hierover met de Anne Frankstichting.” Ook zijn zo’n vijf nieuwe meelopers in beeld. Een van hen kreeg al hulp aangeboden, vertelt jeugdagent Pietersma. „Die hebben we uit zijn oude omgeving gehaald. Onder begeleiding laten we hem bij een boer in Frankrijk werken. Het is prachtig dat hij daar de taal niet kent, want nu moet hij zich daar helemaal zelf zien te redden.”