In havo 4 begon het samenwerken in groepjes

Iris Blatter (22) heeft het syndroom van Asperger.

Haar sociale vaardigheden zijn beperkt. Ze kan goed leren, maar het onderwijs is niet op autisten ingesteld.

In havo 4 begon het samenwerken in groepjes. Illustratie Lobke van Aar Aar, Lobke van

„Ik kan de dingen niet netjes brengen. Dat merk ik altijd pas als het al te laat is. Zoals met de afdelingsleider op de havo. Ik had een lesrooster met veertien tussenuren, en hij had beloofd dat dat zou veranderen. Maar bij de volgende roosterwijziging had ik wéér veertien tussenuren. Ik ben naar hem toe gegaan om te vragen hoe het zat. Ik vroeg het beleefd, maar toen hij zei dat het mij niet aanging, werd ik boos. Hoe kon hij dat nou zeggen, het was toch mijn rooster? Hij wilde dat ik excuus aanbood, maar ik vond dat ik gelijk had. En dat vind ik nog steeds. Zes weken ben ik toen niet naar school geweest. Later had ik weer een aanvaring met hem, en bleef ik vier maanden thuis.

„Soms, als ik van binnen kook, durf ik ineens dingen die ik normaal niet durf. Zoals telefoneren. Mijn moeder en ik gingen een keer samen op vakantie naar Barcelona, toen in het hotel bleek dat we een kamer zonder ramen hadden gekregen. Daar wilde ik écht niet slapen, veel te benauwd. Ze hadden geen andere kamer voor ons, zeiden ze in het hotel. Toen ging ik bellen met de reisorganisatie en de rechtsbijstandsverzekering van mijn moeder, en aan het eind van de middag hadden we een andere kamer, met uitzicht op de Ramblas. Terwijl ik het normaal al vervelend vind om de kapper op te bellen voor een afspraak. Dan fiets ik er liever even heen.

„Dat ik me weleens eenzaam voelde en opzag tegen dingen, leek me niet iets abnormaals. Ik dacht dat iedereen dat had. Op mijn zeventiende kreeg ik de diagnose Asperger. Aan de ene kant was het een opluchting, maar aan de andere kant ook niet. Ik wil graag als een normaal mens behandeld worden, en zoveel mogelijk mee kunnen doen met de rest. Als mijn ouders vrienden op bezoek hebben, blijf ik er gewoon bij zitten, ook al word ik er heel erg moe van. Iedereen is aan het kletsen, en iedereen begint over iets anders. Mensen schijnen niet gewoon over hetzelfde te kunnen praten. Dat zou ik het liefst hebben, ja. En dan allemaal tegelijk wisselen van onderwerp, ha! Maar ik vind het ook wel gezellig hoor, om erbij te zijn.

„Op de basisschool vond ik mezelf een van de slimsten. In de onderbouw van de havo ging het ook nog goed, maar in 4 havo kwam het presenteren en het samenwerken in groepjes. En dat kan ik niet. Als ik iets moet presenteren, ben ik bang dat ik over mijn woorden struikel. Samenwerken gaat niet, omdat anderen zich niet aan afspraken houden. Nadat in de vijfde de diagnose was gesteld, kreeg ik een ‘rugzakje’ en een ambulant begeleider van een regionaal expertisecentrum. Maar ik ben uiteindelijk geslaagd voor de havo vooral dankzij mijn scheikundeleraar, die voor mij de contacten onderhield met de andere docenten. De meesten begrepen niets van autisme.

„Daarna wilde ik heel graag de hbo-opleiding chemie gaan doen. Het was nog een heel gedoe om een hogeschool te vinden die een autist wilde hebben, maar op de Hogere Laboratorium Opleiding van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen, de HLO, kon ik komen. De decaan was heel behulpzaam, die vond dat er rekening gehouden moest worden met mijn handicap, maar hij was de enige. De docenten vonden dat ik gewoon mee moest doen met alles. En in het hoger beroepsonderwijs is het momenteel allemaal samenwerken wat de klok slaat.

„Er werd altijd gezegd dat dat samenwerken bij de opleiding hoort, omdat je dat later in je beroep ook moet doen. Soms zie ik het nut er wel van in, bijvoorbeeld als je samen aan het eind van de week de onderzoeksresultaten bespreekt. Maar met een groepje van acht studenten allemaal een stukje schrijven van een verslag? Zes van de acht hielden zich niet aan de afspraken, ze deden hun werk gewoon niet. En dan zijn er geen regels om zoiets op te lossen. Ik ben naar de docent gegaan, maar die zei dat we het met elkaar moesten uitzoeken. Ik heb nog geprobeerd hulp te krijgen van een ander groepje. Toen hielden mijn ideeën op.

„Ik heb het twee jaar geprobeerd op de HLO, maar het is niet gelukt. Zelfstandig werken ging me wel goed af, dat was het ergste. Als ik het alleen doe, gaat het allemaal prima, maar met anderen samen ineens niet.

„Ik leer gemakkelijk. Toen ik in 4 havo vanwege die afdelingsleider meer dan de helft van het schooljaar had gemist, besloot ik vlak voor de zomervakantie dat ik toch over wilde. In een maand tijd heb ik al mijn toetsen ingehaald. Ik wil nog steeds heel graag studeren. Maar in het hogeronderwijs is niets geregeld voor autisten. Het rugzakjessysteem bestaat er niet, maar ik kon ook niet zelf begeleiding regelen. Dat hebben we wel geprobeerd: mijn ouders hebben een persoonsgebonden budget voor mij aangevraagd en mijn oude scheikundeleraar gevraagd om mij te helpen, zoals hij op de havo deed. Hij wilde wel, maar de hogeschool verleende geen medewerking. Als hij een e-mail stuurde, kreeg hij geen antwoord.

„Maar zo’n vaste begeleider, iemand op wie ik kan terugvallen als iets niet lukt, is precies wat ik nodig heb. En als er van twee kanten dan goede afspraken worden gemaakt over waar ik wel en niet aan mee moet doen, kan ik gewoon studeren, dat weet ik zeker. Laatst hoorde ik dat minister Plasterk tienermoeders wil helpen om hun opleiding af te maken. Dat is best, maar autisten hebben die steun ook nodig. En wij kunnen er niks aan doen dat we zo zijn.

„Sinds een maand ben ik twee dagen per week in behandeling bij het Leo Kannerhuis, een expertisecentrum voor autisme. Ik vind het fijn dat ik nu weer een beetje een daginvulling heb, want meer dan de hond uitlaten en koken deed ik niet de laatste tijd. Door al die mislukkingen zat ik aardig in de put. Nu voel ik me beter. Het is de bedoeling dat ze een plan maken voor mij, zodat ik weer verder kan. Ze gaan proberen om een stageplaats te regelen in een farmaceutisch bedrijf. Zo kan ik werkervaring opdoen, en na een jaar kom ik dan in aanmerking voor de deeltijdopleiding chemie. Die is voor mij minder belastend dan de voltijdsopleiding.

„Tot nu toe leer ik in het Leo Kannerhuis vooral communicatieve vaardigheden, dat ik niet te stil moet zijn, maar ook niet te lomp. Dat ik niet ongevraagd mijn mening moet geven. Eigenlijk vind ik dat raar. Mensen willen graag een complimentje, dan geef je óók ongevraagd je mening. Maar iets negatiefs mag je niet zeggen. Misschien dat ik later nog leer begrijpen waarom dat is. Ik ben er natuurlijk pas net, hè?”