Ik word zestien keer per uur bíjna wakker

Hoe word je gelukkig in drie weken? Vandaag deel 1: los je problemen op.

Carola Houtekamer lost haar slaapproblemen op. Ze is overdag soms best moe.

Ik word zestie keer per uur bijna wakker. Illustratie Roel Venderbosch Venderbosch, Roel

Hoe zal ik vannacht eens slapen? Als ik nu opeens te goed slaap, heb ik een probleem. Maar als ik te kort slaap, heb ik ook een probleem. Allebei onaantrekkelijke opties.

Het is hier wel erg stil. En donker. Níét nu al mijn ogen dichtdoen.

Ik lig met dertig draadjes aan een apparaat. Vanaf het plafond kijkt een camera naar mijn bed. Om mijn buik en borst zitten banden die mijn ademhaling meten. Sensoren op mijn armen en benen, kaken, slapen en kin. Een hartslagmeter op mijn borst, een geluidsdetector op mijn keel, een zuurstofmeter om mijn vinger en zeven elektroden op mijn hoofd om de drukte in mijn brein te meten. Het slangetje in mijn neus kriebelt. Na vannacht zal ik eindelijk weten hoe ik slaap.

Ik meen dat ik een slechte slaper ben. Ik dommel laat in, word vaak wakker, woel, maal, slaap te kort uit. Overdag ben ik moe en lichtgeraakt.

Nu zijn mensen tamelijk onbetrouwbaar in het rapporteren van hun slaap, zegt neuroloog Hans Hamburger, slaap-waakdeskundige van het Amsterdam WaakSlaapCentrum. Ik zit in zijn spreekkamer in het Slotervaartziekenhuis. Dat is omdat ze geen geheugen hebben voor slaap. Daarom laat Hamburger slapelozen en snurkers en slaapwandelaars een nachtje slapen in zijn kliniek.

Eén op de vijf Nederlanders heeft slaapklachten, zegt Hamburger. Van de jonge mensen klaagt zelfs 40 procent. 1,5 miljoen gebruiken soms slaappillen, 700.000 doen dat permanent. Sommigen laten zich pas na jaren pillen en oververmoeidheid en burn-out onderzoeken.

Zelf slaapt hij „heel goed”, zegt Hamburger, „anders kan ik dit werk niet doen.” Hij ziet dagelijks gestreste mensen die te licht slapen, mensen die plotseling overdag in slaap vallen, mensen bij wie tweehonderd keer per nacht de ademhaling stokt, die met hun benen schoppen, in hun slaap praten, wandelen, knarsetanden, met hun hoofd bonken, agressief worden. En steeds meer kinderen.

En hij ziet mensen die denken dat ze slecht slapen, maar dat niet doen. Slaapmisperceptie heet dat. Dat is geen aanstellerij, zegt hij, want mensen gaan daar echt slecht van slapen.

Dat zal wel. Die diagnose moet ik voorkomen. Wakker blijven dus.

Ik lig niet heel comfortabel. En ik heb koude voeten. Mooi zo. Het is nog maar half 12 en ik ben al doodmoe. Dat is anders nooit. Dan zit ik stuiterend in de trein vanuit mijn werk, ben ik op stap, of rommel ik thuis achter de laptop. Nu heb ik voor de hoofdingang een boek gelezen in de schemering.

Voor de zekerheid heb ik zojuist een extra glas water gedronken en het gordijn op een kier gedaan. Ik kan nu niet pas om 10 uur wakker worden.

Rust, regelmaat en duisternis zijn goed voor slaap, is me vandaag bij elke vraag ingepeperd. Hoe laat gaat u slapen? (tussen 12 en 2). Wanneer staat u op (wisselt). Werkt u in ploegendienst? (ja). Zit u ’s avonds achter uw computer? (ja). Rookt u (nee), drinkt u (soms).

Goede slaapgewoontes zijn belangrijk voor rustelozen, zegt Hamburger. Eten en roken werkt activerend. Van alcohol slaap je goed in, maar je slaapt onrustig. Licht van de tv en computer houdt je wakker, omdat in je ogen zenuwen zitten die reageren op blauwig licht. Als die actief zijn, gaat je melatonineproductie omlaag. Van melatonine word je slaperig, van blauw licht dus niet.

Zou de helft van de problemen niet zijn opgelost als mensen zich aan die regels houden? „Jawel”, zegt Leonard Harten, hoofd van het slaaplab. „We zouden patiënten wel een foldertje mee kunnen geven, maar dat werkt niet. Als we beter weten waarom iemand niet slaapt, kunnen we gerichter advies geven.”

Slapeloosheid is geen recente modegril, zegt Harten. „Het hoort bij onze levensstijl van vliegen, ’s nachts snacken, ploegendiensten, elektrisch licht en uitslapen.”

Wat wel mode is, vindt Hamburger die op het spreekuur mijn rommelige ritme in kaart brengt, is korter slapen. „Vooral jonge mensen vinden slapen zonde van hun tijd. Alles moet in die 6,5 uur gebeuren. Dat gaat niet.” Voor de zekerheid meet hij me een armband aan die tien dagen mijn activiteit meet. Die zal, zo blijkt, hoog uitslaan op zaterdagnacht 2.00 uur. („En hier bent u gaan dansen.”)

Maar het ligt niet altijd aan gedrag. Vaak genoeg is er iets anders aan de hand. Elke week bespreekt Hamburger met neurologen, psychologen, KNO- en longartsen, obesitasexperts en tandartsen de slaapgasten, ruim 1.500 per jaar.

Veel klachten zijn behandelbaar. Voor mensen van wie de ademhaling stokt, een beugel of mondkapje met luchtdruk. Voor mensen die bang zijn voor slecht slapen cognitieve gedragstherapie. Voor mensen met een verwarde klok melatonine. Voor mensen die slapend schoppen medicijnen. Maar niet zomaar slaappillen. „Daar slaap je niet beter van, je wordt enkel suf.”

En wat krijg ik?

„Hoe lang denk je dat het duurde voordat je in slaap viel?”, vraagt Hamburger een paar dagen later met een klein lachje. 20 minuten? „Zes.” Zes!

„En hoe lang heb je geslapen?” Zes uur? piep ik. „7 uur en 20 minuten, met een slaapefficiëntie van 91 procent.” Vier slaapfasen, voldoende diepe slaap en REM-slaap. „U bent een voorbeeldige slaapster.”

Vertwijfeling. Ik heb geen probleem. Ik heb slaapmisperceptie.

„Maar”, (zucht van verlichting) „er is wel iets.” Op de uitdraai van mijn slaap staat dat ik gemiddeld 16 arousals per uur heb, piekjes in mijn hersenactiviteit waardoor ik bijna of even wakker word. Normaal is dat niet meer dan 4.

Ik word bestempeld met „overmatige cerebrale activiteit”. Een druk brein. Daar kan ik mee leven. Die arousals maken niks uit, zolang ik er maar niet echt van ontwaak en wakker blijf. Als dat gebeurt, moet ik eerder ophouden met dingen doen, meer ritme houden en mezelf meer tijd gunnen om te slapen. Arousals voelen vooral onrustig. Een kalmerende gedachte, zal de week erna blijken.

Dus toch slaapmisperceptie? Hamburger grijnst. „Een beetje.”