Het land rekent af met zijn auteur

Coetzee gaat in Zomertijd verder dan alleen het schetsen van een onflatteus zelfportret.

Hij komt tegenover zijn eigen oeuvre te staan en die confrontatie is boeiend.

J.M. Coetzee: ZomertijdUit het Engels vertaald door Peter Bergsma. Cossee, 300 blz. € 22,90

‘Schaamte leeft voort in elke volwassen man’, schreef J.M. Coetzee ooit. Hij illustreerde dit aan de hand van Augustinus’ Bekentenissen. Daarin stelen twee jongens perziken, niet om ze op te eten, maar om te voelen wat schaamte is. ‘Augustinus wil weten’, schrijft Coetzee, ‘waar schaamte begint en waar die uit voortkomt. Je kunt de draad eeuwig terug volgen en het zelfonderzoek dat nodig is om te kunnen begrijpen waar schaamte uit voortkomt, gaat altijd door. Maar nooit zal de ziel rust vinden, totdat de motivatie van de schaamtevolle daad is geconfronteerd’.

De relatie tussen schaamte en vernedering: daar draait het om in het werk van Coetzee. Dat geldt zeker voor zijn ‘autobiografische romans Jongensjaren (1997), Portret van een jongenman (2002) en nu Zomertijd.

In deze drie autobiografische romans gaat het om een onbarmhartig gefictionaliseerde zelfportret en om de verbondenheid van een auteur met zijn land. In Zomertijd heeft de autobiografie de vorm aangenomen van een biografie, en wel van de inmiddels gestorven ‘Coetzee’. Een jonge Engelse biograaf wil aan de hand van gesprekken, notities en ongedateerde fragmenten een beeld schetsen van de auteur toen die met zijn vader in een buitenwijk in Kaapstad leefde, vlak voor en nadat hij doorbrak met Schemerlanden, Coetzees debuut uit 1974.

Vijf gesprekken worden er gevoerd met mensen die in die tijd belangrijk waren voor Coetzee. De waardering blijkt bij niemand wederzijds en het portret dat de biograaf door de gesprekken destilleert, is weinig verheffend. Coetzee is een slechte minnaar (die een erotisch hoogtepunt wil bereiken op muziek van Schubert), onaantrekkelijk, autistisch, conservatief, ruggegraatloos. Een ‘slapgat’.

Deze getuigen versterken het beeld van Coetzee als een succesauteur op wie je geen greep krijgt: een ‘slapgat’ met een Nobelprijs – eerder aandoenlijk dan confronterend. De schijn van genadeloos fileren is er wel, maar Coetzee houdt zelf de touwtjes in handen. Zonder aarzeling legt hij zichzelf bloot, etaleert hij kritiek – en tegelijkertijd ontkom je niet aan de indruk dat het ook koket is om anderen zo over jezelf te laten vertellen.

Zijn Zuid-Afrikaanse auteurs koketter dan andere schrijvers? Je zou denken van wel. Niet dat ze het patent hebben op onflatteuze zelfportretten, maar Coetzee is niet de enige Zuid-Afrikaanse auteur bij wie een onbarmhartige blik op zichzelf gepaard gaat met een obsessie voor lichamelijkheid en schaamte, bij wie sociale onhandigheid wordt gekoppeld aan een onvermogen maatschappelijk en politiek te functioneren. De blanke Zuid-Afrikaan neemt een merkwaardige buitenstaanderspositie in, en lijkt zich daarvan bewust. Ze staan buiten de geschiedenis van hun continent en bezien zichzelf van buiten, als waarnemers die verantwoording proberen af te leggen.

Maar Coetzee gaat in Zomertijd een stap verder dan alleen het schetsen van een onflatteus zelfportret. Hij ‘laat’ ook zijn werk beoordelen, komt als het ware tegenover zijn eigen oeuvre te staan, en vooral die confrontatie is boeiend. De ‘getuigen’ in Zomertijd kwalificeren zijn literaire werk als passieloos, afstandelijk en gemakkelijk. Aan onsympathieke personages zou hij de voorkeur geven, vooral omdat het moeilijker is om sympathieke personages neer te zetten. Een collega verloor haar interesse in Coetzees werk na het lezen van In ongenade.

Het is niet voor niets dat ze na deze roman haar belangstelling verloor. In ongenade werd internationaal weliswaar bejubeld, maar Coetzees afstand tot Zuid-Afrika werd na deze roman een voldongen feit. In eigen land was de kritiek groot; het boek was te defaitistisch, schetste een te pessimistisch beeld van zwarten en alleen de stem van de blanke werd verwoord.

Meer dan een onbarmhartig zelfportret is Zomertijd daarom dit: een afrekening van een land met zijn auteur. Maar dan wel geschreven vanuit het perspectief van die auteur. Een man die zijn land nooit begrepen heeft, misschien niet begrijpen kon. In de woorden van zijn opgevoerde collega: ‘Hij zag Afrika door een roze bril. Hij beschouwde Afrikanen als belichaamd, op een manier die in Europa al lang verloren was gegaan. […] In de context van de jaren zeventig, van de vrijheidsstrijd en de apartheidsstaat, was het nutteloos om op zo’n manier naar de Afrikaan te kijken. En trouwens, het was een rol die ze niet langer bereid waren te vervullen.’ Een pijnlijke observatie van een man wiens lot en faam aan Zuid-Afrika verbonden zijn.

Hoe pijnlijk het onbegrip en de afrekening zijn, onthult het slot van de roman. In ongedateerde fragmenten geeft Coetzee zich bloot. Hier komt hij in de buurt van een ware bekentenis. Deze stukken vormen het mooiste deel, en doen in een passage ook denken aan de perziken van Augustinus. De gestolen vruchten zijn vervangen door een lp met aria’s vertolkt door de sopraan Renata Tebaldi, de favoriete lp van Coetzees vader.

Uit weerzin tegen alles wat zijn vader mooi vindt neemt de jonge Coetzee de plaat uit de hoes en bewerkt die met een scheermes. De zoon koopt jaren later een lp met aria’s door Tebaldi en geeft die cadeau aan zijn vader. Maar de magie is verdwenen. De vader herkent de stem niet meer. Vergeving wil de zoon, absolutie voor de misselijke streken die hij ooit uithaalde om het leven van zijn vader te vergallen. Maar van vergeving is geen sprake. Misschien speelt de vader wel een spel, zo beeldt hij zich in: wellicht denkt de vader ‘Hoe kom je erbij dat jij ooit bij machte zou zijn geweest om mijn leven te vergallen?’

Je zou deze passage kunnen zien als niet alleen symbolisch voor de relatie van de zoon tot zijn vader, maar ook van de schrijver tot zijn land. Het land heeft een stempel gedrukt op het werk van de schrijver, maar omgekeerd heeft die schrijver geen enkele stempel op het land kunnen achterlaten – nog geen kras in het landschap.

Is het toeval dat Coetzee met deze drie autobiografische romans begon kort nadat in Zuid-Afrika de Waarheid- en Verzoeningscommissie aan het werk ging? Net zoals de geschiedenis van het land werd blootgelegd in kale, meedogenloze relazen, zo houdt Coetzee hier zichzelf tegen het licht in een poging zíjn waarheid te vertellen. Dat is zijn paradoxale doel: een gefictionaliseerde waarheid vertellen over jezelf, over de rol die je gespeeld hebt, met als enige reddingsboei de afstandelijke ‘hij-vorm’ en de zogenaamde openhartige stemmen van de personages. Of de verantwoording die hij aflegt met Zomertijd voltooid is, blijft in het midden. Aan het slot van de roman, wanneer de vader na een operatie thuiskomt, staat de zoon voor de keuze: overgave aan zijn vader of deze hulpbehoevende man, die zich niet meer kan uitspreken door tumoren aan het strottenhoofd, in de steek laten. ‘Het is het een of het ander: een derde weg is er niet’.

De vergeving, die elke herinnering moet ontlasten, is uitgebleven, zal er ook niet komen – communicatie is immers weggevaagd door een tumor. Wat overblijft is de keuze tussen acceptatie van het verleden of de zoektocht naar een andere vorm van vergeving. En juist die zoektocht naar absolutie, in het besef dat die onmogelijk is, is de kracht van Zomertijd.

Lees eerdere artikelen over J.M. Coetzee op nrcboeken.nl

J.M. Coetzee: ZomertijdUit het Engels vertaald door Peter Bergsma. Cossee, 300 blz. € 22,90

    • Toef Jaeger