De loopgraven uit Wereldoorlog I bleven Patch 90 jaar achtervolgen

Zelfs meer dan negentig jaar na de dood van drie makkers in de slag bij het Vlaamse Passendale bleven de gruwelen van de loopgravenstrijd de Britse Eerste Wereldoorlog-veteraan Harry Patch in zijn dromen achtervolgen. Zaterdag overleed hij op 111-jarige leeftijd in zijn slaap, naar verluidt vredig.

Met de dood van Patch, voor zover bekend de laatste nog levende militair die had gevochten in de loopgraven, loopt een tijdperk ten einde. Vorige week was de 113-jarige Henry Ailingham overleden, die bij de marine en de luchtmacht had gediend. Hij was de laatste nog levende getuige van de zeeslag bij Jutland in 1916.

De 108-jarige Claude Choules is nu de laatste nog levende Brit die destijds actief is geweest, bij de marine. Voor zover bekend zijn de enige andere overlevenden elders in de wereld een 109-jarige Canadees, die wel zijn training afmaakte maar verder niet in actie kwam, en een 108-jarige Amerikaanse voormalige ambulancechauffeur.

Harry Patch, een loodgieter die op zijn achttiende naar het front werd gestuurd in Vlaanderen, heeft lang gezwegen over zijn traumatische belevenissen. Pas toen hij 100 jaar oud was, begon hij er in het openbaar over te vertellen. „Oorlog is georganiseerde moord en niets anders”, zei hij. Zelf had hij altijd geprobeerd tegenstanders niet te doden maar in de benen te schieten. Levendig en nog altijd geëmotioneerd beschreef hij hoe hij met zijn regiment zwaar gewonden passeerde. Eén bloedende Brit smeekte om een genadeschot. Maar voor iemand kon handelen, bezweek hij onder aanroeping van zijn moeder. „Het was een kreet van verrassing en vreugde”, aldus Patch.

In september 1917, toen Patch al vier maanden aan het front zat, was hij met vier anderen op pad toen een granaat naast hen ontplofte. Drie van zijn metgezellen werden aan stukken gereten en Patch zelf raakte gewond door een scherf in zijn buik. Hij overleefde echter en kon het langer navertellen dan wie ook.